Karl Friedrich May

(De jaren 1842–1874)

Geburtshaus

In Waldheim


Monochrom print

Jaar

Biografische notities

Verblijfplaats

1842

Carl May wordt op vrijdag 25 februari 1842 om 10 uur 's avonds geboren en de volgende dag in de evangelisch-lutherse kerk St. Trinitatis in Ernstthal gedoopt. De peetouders zijn de meester wever Carl Gottlob Planer (1792–1859), juffrouw Chr. Friederike Esche (datums onbekend), en de smidsknecht Christian Friedrich Weißpflog (1819–1894). Hij is het vijfde kind van de 32-jarige wever Heinrich August May en zijn vrouw, de 27-jarige Christiane Wilhelmine geb. Weise. Bij May thuis heerst grote ellende – bittere armoede, soms zelfs hongersnood. Van zijn vier zusters leeft alleen nog de vierjarige Auguste Wilhelmine.
   In dat jaar "was het een heel droge en hete zomer. Vanaf de zaaitijd had het 6 tot 7 weken helemaal niet geregend en in de streek is er bijna de gehele zomer geen onweer met regen geweest. Er was een algemeen gebrek aan water, zodat veel graan niet kon worden gemalen en daarom slechts gebroken werd. … Het vee had buitengewoon veel te lijden en veel runderen werden toen bijna uitgedroogd en sterk vermagerd geslacht. …"

Ernstthal,
Niedergasse 122

(Karl-May-Haus)

1843

De prijs van vlees gaat "wegens gebrek aan slachtvee. …" fors omhoog. De situatie van de in bitterste armoede levende wevers is vergelijkbaar met de huidige omstandigheden in de ontwikkelingslanden – een ideale basis voor ziektes met vitaminetekort en infecties; dit werd Karl May noodlottig.

Ernstthal,
Niedergasse 122
1844

28 mei: geboorte van Karl Mays zuster Christiane Wilhelmine, de latere mevrouw Schöne. In Hohenstein en Ernstthal heerst steeds grote hongersnood: »Ja het is de laatste tijd inderdaad hier voorgekomen, dat mensen, die zich schaamden om te bedelen, letterlijk verhongert zijn. Want het is, vooral in kinderrijke families, helemaal niet vreemd, dat er vaak meerdere dagen lang geen kruimel brood te eten is en enkele aardappelen in porties gekookt en gegeten met zout, zijn vaak de enige voedingsmiddelen van deze ongelukkigen. Maar zelfs in veel families zijn ook de aardappelen al op, of bijna op, en dan is verhongeren en bedelen onvermijdelijk. … Het is inderdaad aangrijpend, deze beklagenswaardigen met bleke afgetobte gezichten, met doffe holle ogen, waarin elke vonk van levensvreugde gedooft is, … rond moeten te zien sluipen als schimmen, …« Gebrek aan vitamine A veroorzaakt met grote waarschijnlijkheid bij Karl May nachtblindheid (blindheid door slechte verlichting, schemerig zien). Daarnaast was Karl Friedrich Mayer waarschijnlijk slechtziend – een beginnende xerophthalmie bedreigt het licht van zijn ogen.

Ernstthal,
Niedergasse 122
1845

De toestand van Karl May verergerd zich: de oogleden zitten dicht en zijn gezwollen, Hij kan langere tijd zijn ogen niet open doen. Daardoor is hij blind (functionele blindheid) en verleert het zien. Hij herinnert zich later niet zijn vroegere ervaring van kijken. Goede artsen zijn niet te betalen, er zijn nog geen ziekteverzekeringen. May beklaagt zich in zijn autobiografie Mein Leben und Streben (in het deel »Ich« van de verzamelde werken opgeno-men) over de verdervelijke kwakzalverij, waaraan hij ten offer viel. Heel waarschijnlijk worden zijn gesloten oogleden zinloos behandelt met zalfjes en een oogverband; de toch al kleine kans om misschien tijdelijk te kunnen zien, werd daardoor helemaal verprutst.
   Ik kon de personen en dingen wel voelen, horen, ook ruiken; maar dat was niet genoeg, het me reëel en driedimensinaal voor te stellen. Ik kon me alleen maar een voorstelling maken. Hoe een mens, een hond of een tafel er uitzag, dat wist ik niet; ik kon me er innerlijk alleen een voorstelling van maken, en deze voorstelling was geestelijk. Als iemand praatte, hoorde ik niet zijn lichaam, maar zijn ziel. Niet zijn uiterlijk, maar zijn innerlijk leerde ik beter kennen.
   Zijn grootmoeder Johanne Christiane May, de moeder van zijn vader, heeft hem de hele dag onder haar hoede. Zij beïnvloedt met haar sprookjesromantiek de gedachten- en gevoelswereld van de jongen. De daaropvolgende maanden worden de bron van Mays rijke fantasie.
   Verhuizing naar het huis van de wever Carl August Knobloch.
   Op 15 augustus begint voor Mays moeder een zes maanden durende opleiding tot vroedvrouw.

Ernstthal,
Marktplatz 183
1846

13 februari: aan de Chirurgisch-Medizinschen Akademie (Kurländer Palais) in Dresden slaagt Mays moeder voor haar  vroedvrouwexamen met het  "vorzüglich gut" (uitmuntend). Daar worden ook de ogen van haar blinde kind door de professoren Haase en Grenser met succes behandeld - Karl May kan zien. Recent onderzoek heeft aangetoond, dat in Dresden ook Rachitis, veroorzaakt door vitamine-D-gebrek, met succes behandeld is. May schrijft dienovereenkomstig later in zijn autobiografie Mein Leben und Streben, blz. 20:
Ik leerde weer zien en kwam, verder gezond, weer thuis.
   Op 19 maart wordt Mays moeder als vroedvrouw van Ernstthal aangesteld.

Ernstthal,
Marktplatz 183
1847

Karl May wordt uit de sprookjeswereld van zijn grootmoeder gerukt. Wrede opvoedingsmethoden van zijn vader zijn schokkend voor Mays geest: Aan de weefstoel hing een uit drie koorden gevlochten touw, dat blauwe striemen achterliet, en achter de kachel stond de welbekende »birkene Hans«, waar wij kinderen in het bijzonder bang voor waren, omdat vader ervan hield, hem voor het pak slaag in de grote »ovenschaal« te laten weken, om hem elastischer te maken en dus nadrukkelijker te voelen.
   2 juni: geboorte van zijn zuster Ernestine Pauline
.

Ernstthal,
Marktplatz 183
1848

Pasen: Karl May gaat naar school. De klassen van de Ernstthaler Volksschool zijn overvol; één onderwijzer moet aan ± 90 leerlingen lesgeven. Wat Karl daar niet leert, brengt zijn vader hem ruw aan het verstand. Eens moet de jongen het beter krijgen. Zo moet Karl in de komende jaren talloze, voor een deel wetenschappelijke boeken lezen, die zijn vader hem voorschrijft. De weinige vrije tijd die hij heeft brengt Karl door bij zijn peetoom, de smid Christian Weißpflog, die veel gereisd heeft en waar hij luistert naar exotische verhalen.

Ernstthal,
Marktplatz 183
1849

Karl May wordt tamboer bij de 7e compagnie van Ernstthaler burgerwacht, waar zijn vader soldaat 1e klasse is. Zijn vader exerceert en drilt hem tijdens diverse oefeningen.
   9 juni: geboorte van Mays zuster Karoline Wilhelmine, de latere mevrouw Selbmann.

Ernstthal,
Marktplatz 183
1850

Ferrys "Waldläufer" verschijnt. Negenentwintig jaar later zal May dit boek bewerken voor de jeugd.

Ernstthal,
Marktplatz 183
1851

Vermoedelijk in dit jaar: verhuizing naar het huis van de wevermeester Selbmann.
Poppentheater in Ernstthal:
   Toen kwam een dag waarop er voor mij een wereld openging, die me daarna nooit meer losgelaten heeft. Theater. Weliswaar een heel gewoon poppentheater, maar wel theater. Gespeeld werd er in het "Webermeisterhaus". Eerste rang: drie stuivers; tweede rang: twee stuivers en derde rang: één stuiver; kinderen halve prijs. Ik kreeg toestemming om er samen met grootmoeder heen te gaan. Dat koste voor ons samen 15 pfennig. Ze speelden: "Das Müllerröschen oder die Schlacht bei Jena." Mijn ogen brandden; ik gloeide van binnen: poppen, poppen, poppen! Maar voor mij waren het levende wezens. [Mein Leben und Streben, blz. 55]
   7 april: geboorte van zijn broertje Heinrich Wilhelm; hij overlijdt al enige maanden later op 20 september. Op 30 november overlijdt Christiane Friederike Weise, Mays grootmoeder van moederskant, op 64-jarige leeftijd.

Ernstthal,
Marktplatz 185
1852

16 augustus: Mays zusje Anna Henriette wordt geboren; ook zij sterft veel te vroeg, slechts enige weken oud, op 4 september.

Ernstthal,
Marktplatz 185
1853

De vader van May begaat een ernstigste opvoedingsfout door er bij zijn zoon “kennis” in te hameren. In dit jaar bereikt dit het hoogtepunt. Karl May schrijft een hoofdstuk onder de treffende titel Keine Jugend (geen jeugd) in zijn autobiografie:
   Hij verzamelde alle mogelijke zogenaamde leerstof, zonder dat hij een keuze of een goede volgorde kon bepalen. Alles wat hij ook maar vond, nam hij mee. Ik moest het lezen of zelfs overschrijven, omdat hij dacht dat ik het daardoor beter kon onthouden. Wat heb ik toen allemaal moeten doorstaan. Oude gebedenboeken, rekenboeken, geschiedenis van de natuur, wetenschappelijke verhandelingen waar ik niets van begreep. De geografie van Duitsland uit het jaar 1802, meer dan 500 pagina's dik, moest ik helemaal overschrijven, zodat ik de gegevens beter onthouden kon. Het klopte natuurlijk allang niet meer! Hele dagen en halve nachten zat ik deze ongeordende en overbodige rommel in mijn hoofd te stampen. Ik werd er mee
overvoerd. [Mein Leben und Streben, blz. 53] 

Ernstthal,
Marktplatz 185
1854

Karl May krijgt privé taalles, dat hij zelf betalen moet. Als hij twaalf jaar is, moet hij in de herberg Engelhardt in het naburige Hohenstein als kegeljongen werken - vaak tot na middernacht! Daar wordt hij verslaafd aan de uitleenbibliotheek: "Rinaldo Rinaldini, de roverhoofdman" - "Himlo Himlini, de roverhoofdman in Spanje..." - Sallo Sallini, de verschrikkelijkste roverhoofdman...", heten zijn helden en zij worden een ideaalbeeld voor hem.
   5 mei: geboorte van zijn broertje Karl Hermann, die al op 15 augustus overlijdt.

Ernstthal,
Marktplatz 185
1855

3 juli: Mays broertje Karl Heinrich wordt geboren; ook dit kind overlijd na korte tijd op 30 oktober.

Ernstthal,
Marktplatz 185
1856

Vlucht uit de werkelijkheid!
   Het boek dat ik gelezen had heette: "Die Räuberhöhle an der Sierra Morena oder der Engel aller Verdrängten". Nadat vader thuisgekomen was en zich ter ruste gelegd had, klom ik uit bed, sloop de kamer uit en kleedde me aan. Dan schreef ik een briefje:” jullie hoeven niet meer zo hard te werken; ik ga naar Spanje om hulp te halen!” Dit briefje legde ik op de tafel, ik stak een stuk droog brood in m’n zak samen met een paar stuivers van het geld verdiend op de kegelbaan en sloop de trap af naar beneden. Ik deed de deur open, ademde diep in, heel zacht, zodat niemand het hoorde en liep dan met gedempte stappen de Marktplatz over, door de Niedergasse naar de Lungwitzerweg, die via Lichtenstein naar Zwickau ging, naar Spanje, het land van de edele rovers, de helpers in nood. - - - [Mein Leben und Streben, blz. 79]
   Karl komt niet ver, zijn bezorgde vader haalt hem naar huis.
Nooit heb ik duidelijker gevoeld als toen, hoeveel hij eigenlijk van me hield.. [blz. 93]
   Palmzondag, 16 maart: Karl May doet belijdenis.
   Michaelis, 29 september: Hij wordt eerstejaarsstudent op de kweekschool in Waldenburg.
    Het onderricht was koud, hard en streng. Er ontbrak elke vorm van bekoring. In plaats van een mens gelukkig te maken, te bezielen, stootte het af. De godsdienstlessen waren de uren die het minste warmte uitstraalden. [blz. 95]
   Op 22 november wordt Emma Lina Pollmer, Mays eerste echtgenote, in Hohenstein geboren; haar moeder overlijdt op 4 december aan kraamkoorts.

Ernstthal,
Marktplatz 185

Waldenburg

1857

Karl May wordt verliefd op de 15-jarige Anna Preßler uit  Ernstthal. Hij dicht en componeert liefdesliederen, die hij haar op de gitaar voorspeelt:

Von Dir geschieden,
Bin ich bei Dir

Und wo Du weilest,
Bist Du bei mir.

Von Dir zu lassen,
Vermag ich nicht,
Weil Du mein Alles,
Mein Lebenslicht!
 

(Van jou gescheiden
ben ik bij je
En waar je ook bent
ben je bij me
.

Bij je weggaan
kan ik niet
Omdat je mijn alles bent
Het licht in mijn leven.)
 

21 november: Mays zusje Maria Lina wordt geboren; zij overlijdt op 13 december.

Waldenburg
1858

In juli trouwt Anna Preßler, zestien jaar oud, met de winkelier Carl Hermann Zacharias, ze is dan zwanger. Dit doet Karl May veel pijn, hij zal het nooit helemaal verwerken.
   May schrijft zijn eerste indianenverhaal en stuurt dit naar de  "Gartenlaube". Ernst Keil, de uitgever, wijst dit - nu verdwenen  - eerste werk af.

Waldenburg
1859

In november is May "lichtcorveeër" op de kweekschool in Waldenburg. Bij deze gelegenheid hij ontvreemdt hij zes kaarsen, die hij voor de kerstboom in het armzalige ouderlijk huis wil gebruiken. Op 21 en 22 december wordt deze zaak door de directeur van de kweekschool, Schütze, onderzocht.

Waldenburg
1860

28 januari: May wordt van de kweekschool gestuurd.
   4 maart: Mays zusje Emma Maria wordt geboren; ze sterft op 5 augustus.
   6 maart: gesteund door dominee Schmidt uit Ernstthal, richt May een gratieverzoek aan het Saksische ministerie van cultuur. De directeur van de kweekschool, Schütze, die ondertussen spijt heeft gekregen van zijn harde opstelling, doet een goed woord voor hem.
   4 juni: May mag zijn opleiding aan de kweekschool van Plauen voortzetten. Daar lijdt hij, zoals zoveel medescholieren, onder het spioneren van de schoolleiding; ze interesseren zich voor het intieme seksuele leven van de scholieren.

Ernstthal,
Marktplatz 185

Plauen

1861

9, 10 en 12 september: May doet eindexamen.
13 september: zijn einddiploma heeft als eindcijfer "gut". (goed)
   May is slechts van 7 t/m 19 oktober als hulponderwijzer aan het werk in Glauchau. Zijn kamerverhuurder Ernst Theodor Meinhold maakt als jaloerse echtgenoot een scène. De koopman betrapt May, als deze zijn negentienjarige vrouw Henriette, die hij niet alleen maar pianoles geeft, kust. Meinhold meldt deze romance aan de superintendent Carl Wilhelm Otto - Karl May wordt op staande voet ontslagen.
   Zijn volgende baan als onderwijzer wordt hem fataal. In Altchemnitz, waar hij sinds 6 november als fabrieksonderwijzer bij de Firma Solbrig werkt, moet hij zijn vrije woning, kamer en slaapkamer met de boekhouder Julius Hermann Scheunpflug delen.
   Tot dusverre had hij die alleen bewoond; nu werd ik bij hem ondergebracht. Hierdoor verloor hij zijn zelfstandigheid en kwam er een eind aan zijn gemakkelijk leventje. Hij kreeg van zijn ouders een nieuw horloge cadeau; zijn oude horloge, dat hij nu niet meer gebruikte, hing aan een spijker aan de muur. Het was hoogstens twintig mark waard. Hij bood mij dit horloge te koop aan; ik sloeg dit aanbod echter af, want als ik eenmaal een horloge kocht, dan moest het een nieuw en beter uurwerk zijn. Dat stond echter nog lang niet op het programma, daar ik eerst nog mijn schulden moest afbetalen. Toen deed hij zelf het voorstel dat ik zijn oude horloge, als ik naar school moest, in mijn zak kon steken, daar ik altijd precies op tijd moest zijn. Ik ging daarop in en was hem er dankbaar voor. In het begin hing ik zodra ik uit school terugkwam het horloge onmiddellijk weer aan de spijker. Later deed ik dat af en toe niet; ik hield het vaak nog urenlang op zak, want een zo duidelijke onderstreping van het feit dat het niet mijn horloge was leek mij overbodig. Tenslotte nam ik het zelfs mee als ik uitging en hing ik het pas ‘s avonds op zijn plaats. Een werkelijk vriendschappelijke of hartelijke omgang werd het niet; de boekhouder duldde mij noodgedwongen en liet mij vaak opzettelijk merken, dat het hem niet beviel met mij zijn woonruimte te moeten delen. [Leben, blz. 103f.]
   Als de kerstvakantie op 24 december begint, haast May zich direct van de school naar het station en reist naar huis; het horloge neemt hij mee. Daar wordt hij gearresteerd. Hij zou het horloge, een pijp en sigarenstomp van zijn kamergenoot gestolen hebben. May is ontsteld:
   Ik beging de stommiteit te bestrijden dat ik het horloge bezat; maar het werd gevonden toen men er naar zocht. De leugen die mij had moeten redden vernietigde mij; dat is altijd het geval; ik was........ een dief! [blz. 107]
  
Mays beschrijving is geloofwaardig. Onschuldig gevangen door de intrige van de boekhouder - zijn carrière kapot! Datgene wat ik heb verteld, had op mij de uitwerking van een klap, een slag op het hoofd, waaronder men innerlijk in elkaar zakt. En dat deed ik ook! [blz. 109]

Plauen

 

Glauchau

 

Altchemnitz

 

Ernstthal,
Marktplatz 185

1862

May wordt hoogstwaarschijnlijk - die aktes bestaan niet meer - wegens "onrechtmatig gebruik van andermans spullen" volgens Art. 330, Abs. 3, veroordeeld. Hij krijgt de zwaarste straf: zes weken gevangenis. Gratieverzoeken worden afgewezen.
   8 september tot 20 oktober: gevangenisstraf in Chemnitz
Tegenwoordig zou May niet in de gevangenis gekomen zijn. Deze zware beproeving bezorgt May een beroepsverbod als onderwijzer.
   6 december: May wordt afgekeurd voor militaire dienst.

Ernstthal,
Marktplatz 185
1863

May treedt bij "musikalisch-declamatorischen Abendunterhaltungen" (muzikaal-declamatorische ontspanningsavonden) in Ernstthal op. Zijn levensonderhoud verdient hij met privé-onderwijs. Op 12 februari wordt door het  lerarenkorps aangifte gedaan; de onderwijsinspectie komt dit te weten door een brief van 20 maart geschreven door dominee Schmidt uit Ernstthal.
   20 juni: Mays naam wordt uit de lijst van Saksische  kandidaat-onderwijzers geschrapt. Het geven van privé-onderwijs wordt hem uitdrukkelijk verboden. Zijn burgerlijk bestaan is tot mislukken gedoemd.
   Het was alsof ik uit die cel, waarin men mij zes weken had opgesloten, een hele menigte misdadigers mee naar huis had genomen, die het nu als hun taak beschouwden zich in mij te nestelen en mij aan hen gelijk te maken. Ik zag hen niet; ik zag slechts die donkere, honende hoofdgestalte uit het moeras van thuis en de slechte Hohensteinse lectuur; maar ze spraken tegen mij; ze beïnvloedden mij. En als ik mij daartegen verzette, werden deze stemmen luider, om mij te verdoven en zo te vermoeien, dat ik alle weerstand opgaf. Hoofdzaak was dat ik mij wreken moest, wreken op de eigenaar van dat horloge, die mij had aangeklaagd, slechts om mij uit zijn woning kwijt te raken, wreken op de politie, wreken op de rechter, wreken op de staat, op de mensheid, op iedereen! Ik was een voorbeeldig mens, zuiver, wit en onschuldig als een lam. De wereld had mij bedrogen in mijn toekomst, mijn levensgeluk. Mij wreken? Waardoor? Daardoor, dat ik bleef wat zij van mij gemaakt hadden: een misdadiger! Dat was het, wat de verleiders in mijn binnenste van mij verlangden. Ik verzette mij zoveel ik kon, zover mijn krachten reikten. Ik gaf alles wat ik schreef, vooral mijn dorpsverhalen, een ethische, een koningsgetrouwe tendens. Dat deed ik niet alleen als steun voor anderen, maar ook als steun voor mij zelf. Maar hoe ontzettend zwaar is mij dat gevallen! Als ik niet deed wat de luide stemmen in mij wilden, werd ik door hen met hoongelach, met vloeken en verwensingen overstroomd, niet alleen urenlang, maar ook halve dagen en hele nachten. Om deze stemmen te ontvluchten, ben ik uit mijn
bed gesprongen en de regen en de sneeuwstorm ingelopen. [Leben, blz. 117f.]

Dat May werkelijk aan aanzienlijke psychische storingen lijdt, ‘s nachts buiten in de regen loopt, bewijst wel zijn uit die tijd stammende gedicht:

Kennst du die Nacht, die auf die Erde sinkt
Bei hohlem Wind und scheuem Regenfall,
Die Nacht, in der kein Stern am Himmel blinkt,
Kein Aug durchdringt des Nebels dichten Wall?
So finster diese Nacht, sie hat doch einen Morgen
O lege Dich zur Ruhe und sei ohne Sorgen!

Kennst Du die Nacht, die auf das Leben sinkt,
Wenn dich der Tod aufs letzte Lager streckt
Und nah der Ruf der Ewigkeit erklingt,
Daß dir der Puls in allen Adern schreckt?
So finster diese Nacht, sie hat doch einen Morgen
O lege dich zur Ruhe und sei ohne Sorgen!

Kennst Du die Nacht, die auf den Geist dir sinkt,
Daß er vergebens um Erlösung schreit,
Die schlangengleich sich ums Gedächniß schlingt
Und tausend Teufel ins Gehirn dir speit?
O sei vor ihr ja stets in wachen Sorgen,
Denn
diese Nacht allein hat keinen Morgen!

In eerste instantie vecht May met succes tegen deze "duizend duivels". Hij componeert voor de zangvereniging "Lyra" uit Ernstthal een hele rij eigen werken.

Ernstthal,
Marktplatz 185
1864

May is aangemeld in Naußlitz bij Dresden. Over deze tijd is niets bekend. In de tweede helft van dat jaar treedt hij waarschijnlijk met een theatergroep her en der in Saksen op en heeft een liefdesverhouding met een ballerina van de theater- en balletgroep H. Jerwitz uit Leipzig. Bijna 21 maanden zijn voorbij na Mays zes weken durende gevangenisstraf in Chemnitz. Nu verliest hij elk houvast:
   Die nacht was echter niet helemaal donker; er heerste schemerlicht. En wonderlijk genoeg strekte zich dat slechts uit over zielsaangelegenheden, niet over de geest. Ik was zielsziek, maar niet geestesziek. Ik was tot logische gevolgtrekkingen in staat, tot het oplossen van ieder wiskundig vraagstuk. Ik had scherp inzicht in alles wat buiten mij omging; maar zodra het mij zelf naderde, mij zelf betrof, hield het inzicht op. Ik was niet in staat mij zelf te observeren, mij zelf te begrijpen, mij zelf te leiden, mij zelf te besturen. [Leben, blz. 111]
   De "duizend duivels" leiden Karl May op 9 juli naar Penig. Daar noemt hij zich "Dr. med. Heilig", "oogarts" en "voormalig militair" uit Rochlitz. Hij laat zich kleding op maat maken en verdwijnt zonder te betalen. Daarvoor heeft hij een jonge man met een oogziekte een recept in het latijn uitgeschreven..
16 december: in Chemnitz duikt May als "kweekschooldocent  Ferdinand Lohse" op en huurt in het Gasthof "Zum goldenen Anker" twee aan elkaar verbonden kamers. Daar laat hij zich verscheidene damesbontjassen brengen. Hij brengt ze in de andere kamer naar de "zieke directeur" en is even later met de bontjassen verdwenen.

Naußlitz
bei Dresden
1865

28 februari: in Gohlis bij Leipzig woont May bij de staalgraveur  Schule. Op 20 maart bezoekt hij als "koperslager Hermes", de  god van dieven en handelaren, de pelsbewerker Friedrich Erler en maakt hem een beverpels afhandig. Een dag later verpandt May, geholpen door een argeloze tussenpersoon, de pels bij de bank van lening. Bij de poging om de opbrengst te laten afhalen, wordt May op 26 maart in Rosenthal, een park tussen Gohlis en Leipzig, gepakt, waarbij een bijl "onder zijn jas vandaan gegleden" is.
   Op het politiebureau is hij "roerloos en schijnbaar levenloos geweest en heeft hij ook niet gepraat, zelfs niet nadat de politiearts erbij geroepen is." Deze apathie, die in de akten is opgetekend, geeft te denken. Het duurt geruime tijd voor May weer aanspreekbaar is en alles bekent.
   8 juni: Karl May wordt door het kantongerecht van Leipzig "wegens meervoudig bedrog" tot 4 jaar en 1 maand  werkhuis veroordeeld. Op 14 juni wordt hij naar het werkhuis "Schloss Osterstein" overgebracht. May is nu gevangene "Nr 171". Hij wordt op kantoor tewerkgesteld, maar schiet te kort wegens psychische zwakte.
   19 september: Mays sprookjesgrootmoeder sterft op 85-jarige leeftijd.

Gohlis

 

Zwickau,
Schloss Osterstein

1866

May vervaardigt geldportefeuilles en sigarenetuis.

Zwickau,
Schloss Osterstein
1867

De opzichter Friedrich Göhler ontdekt Mays muzikale talenten. May speelt althoorn in het blazerskorps en is lid van het gevangeniskerkkoor. Vermoedelijk aan het eind van het jaar word hij de "speciale schrijver" van inspecteur Krell en naar de gesloten afdeling overgeplaatst. De omvangrijke gevangenisbibliotheek verandert zijn straftijd in een studietijd.

Zwickau,
Schloss Osterstein
1868

Literaire schetsen ontstaan: das Repertorium C. May.
2 november: May wordt "als gevolg van Allerhoogste Genade" wegens goed gedrag voortijdig - 253 dagen eerder als oorspronkelijk gedacht - met een getuigschrift van vertrouwen uit het werkhuis ontslagen. Thuis hoort hij van de dood van zijn sprookjesgrootmoeder. Dit bericht brengt hem weer uit zijn geestelijk evenwicht.
   De vroegere ellende begon weer, de vroegere martelingen, de vroegere strijd met onbegrijpelijke machten. Ze kenden al mijn gedachten voordat ik me er zelf bewust van werd en toch konden ze onmogelijk deel van me uitmaken, omdat dat wat zij wilden bijna altijd het tegengestelde van mijn wil was. ... Ze verlangden net als vroeger van mij dat ik mij zou wreken voor de in de gevangenis verloren kostbare tijd! [Leben, blz. 157]
   May probeert, deze "onbegrijpelijke machten" te ontlopen. Voor de uitgeversboekhandelaar Münchmeyer uit Dresden schrijft hij enige teksten, die thans verdwenen zijn.

Zwickau,
Schloss Osterstein

Ernstthal,
Marktplatz 185

1869

Aan het begin van dit jaar leert May het dienstmeisje Auguste Gräßler uit Raschau kennen. Uit deze kennismaking ontwikkelt zich een liefdesrelatie.
   Op 29 maart doet May in Wiederau als "politieluitenant von Wolframsdorf uit Leipzig" bij de kruidenier Carl Reimann een onderzoek naar vals geld. Omdat dit zogenaamd gevonden wordt, neemt hij Reimann voor "verhoor" mee naar een pension, waar hij Reimaan achterlaat en zelf spoorloos verdwijnt.
   10 april: May zoekt in het huis van touwslager Krause in Ponitz opnieuw naar vals geld. De actie mislukt. May dwingt met een ongeladen schietwapen ontzag af en vlucht "dwars door de velden". Hij is steeds verkleed en draagt een valse baard. In Ernstthal wekt hij op 20 april de indruk, als zou hij naar Amerika zijn geëmigreerd.
   Van 3 tot 5 mei is May in Jöhstadt; daar bezoekt hij op de avond van 3 mei het theater.
   Pinksteren, 16 - 17 mei: in Schwarzenberg ontmoet May voor de laatste keer zijn geliefde Auguste Gräßler. Op 27 / 28 mei richt hij de “Eisenhöhle”, ten noorden van Hohenstein, als verblijfplaats in. Met een kinderwagen (!) brengt hij daar merkwaardige dingen naartoe, die hij van zijn peetoom Weißpflog zou hebben gestolen.
   31 mei: In Limbach steelt May in de Gaststätte van Victor Reinhard Wünschmann een set biljardballen en gaat naar  Chemnitz, om ze te verkopen, wat echter door de oplettendheid van twee politieagenten mislukt.
   3 / 4 juni: Uit een stal in Bräunsdorf steelt May ‘s nachts een paard van de Gasthofbezitter Schreier. Tevens steelt hij een bit, rijzweep en halsriem; daarna rijdt hij weg. Als hij enkele uren later het paard aan een slachter probeert te verkopen, mislukt dit.
   15 juni: In Mülsen St. Jacob treedt May op als "bode van advocaat Dr. Schaffrath uit Dresden" en lokt de bakker Wappler voor  een erfeniskwestie naar Glauchau. Ondertussen geeft May zich bij de thuisgebleven echtgenote als politieagent uit en neemt 28 Taler "vals geld" in beslag.
   Eind juni ontvreemdt May uit de kegelbaan van herberg
Engelhardt in Hohenstein een handdoek en een sigarenpijpje. Op 2 juli, ‘s nachts om 3 uur, word hij daar slapend aangetroffen en  "na een kort gevecht" overmeesterd en naar de gevangenis in  Mittweida overgebracht.
   5 en 15 juli: gerechtelijk onderzoek in Wiederau en Mülsen St. Jacob.
26 juli: op weg naar een ander gerechtelijk onderzoek in Bräunsdorf ontsnapt May aan zijn bewakers; hij zou de "eiserne Bretze" (handboeien) verbroken hebben. Ondanks een grote zoekactie in de bossen rond Hohenstein op 6 en 7 augustus blijft May aanvankelijk onvindbaar.
   In de nazomer duikt hij in Siegeldorf bij Halle op. Hij geeft zich uit voor "schrijver Heichel uit Dresden", daarna als "natuurlijke zoon van de Prins von Waldenburg" en ontmoet de huishoudster Malwine Wadenbach, die hij waarschijnlijk van vroeger kent.
   Verder weten we van Mays verblijf in Ellersleben, Plößnitz en Coburg.

Ernstthal,
Marktplatz 185

Eisenhöhle
(Karl-May-Höhle)

1870

4 januari: in Niederalgersdorf (Bohemen) word May als landloper in een schuur opgepakt. Hij noemt zich "Albin Wadenbach", plantagebezitter uit Orby op het eiland Martinique, West Indië. Een foto overtuigt de politie.
   14 maart: May wordt naar de gevangenis in Mittweida gebracht. Op 13 april wordt hij door het kantongerecht in Mittweida "met behulp van de door hem afgelegde bekentenis, wegens eenvoudige maar perfect uitgevoerde diefstal, oplichterij en fraude onder verzwarende omstandigheden, alsmede wegens weerspannigheid tegen ongeoorloofde zelfhulp en verdraaiing van feiten, rekening houdend met zijn terugval, tot een tuchthuisstraf in de duur van 4 jaar en met betaling van de onderzoekskosten veroordeeld."
   De bekende strafrechtjurist Professor Dr. Claus Roxin heeft vastgesteld, dat het niet uit te sluiten is, "dat May schizofrene trekken gehad kan hebben, die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid in de zin van § 51 StGB uitsluiten of tenminste als oorzaak van een aanzienlijk verminderde toerekeningsvatbaarheid kan aanvoeren." [Karl May, das Strafrecht und die Literatur, Tübingen 1997, blz. 47.]
   Recent onderzoek van Dr. William E. Thomas, een Australische arts, heeft aangetoond dat May aan dissociatieve identiteitsstoringen leed en daarom "ontoerekeningsvatbaar" moet zijn geweest.
   De psychiater en neuroloog Edgar Beyer (arts in een kliniek in Günzburg) vermoedt een ›asociale persoonlijkheidsstoornis‹ in de vagantentijd van May en daarmee een verminderde toerekeningsvatbaarheid. Hoe men Mays psychische toestand ook beoordeelt, de schade, die May met zijn delicten heeft aangericht, bedraagt bij elkaar nog geen 1000 Mark. »May heeft later, toen hij geld had, vele duizenden mark geschonken aan behoeftigen, ook heeft hij zijn gehele vermogen en alle inkomsten van auteursrechten van zijn werken nagelaten aan een stichting voor behoeftige kunstenaars. Ook is de gedachte aan loutering«, zoals Claus Roxin opmerkt, »een van de hoofdtendenzen van zijn werk – niet altijd literaire winst«.
   3 mei: begin van de straf in tuchthuis Waldheim. May is vanaf nu gevangene "Nr. 402" en komt in een isoleercel. Minstens 13 uur per dag werkt hij als sigarenmaker. Waarschijnlijk vervult "Nr. 402" aanvankelijk zijn opgelegde taak niet, want met het niet geven van eten wordt hij disciplinair gestraft.

Bohemen

Mittweida

Waldheim

1871

Het ontplooien van schrijversactiviteiten is volgens het reglement van het tuchthuis Waldheim onmogelijk! "Het benodigde schrijfmateriaal wordt in de benodigde hoeveelheden aan de gevangenen door de instelling tegen betaling toegestaan; elk geval wordt apart bekeken. Hetzelfde geldt voor de envelop waar een brief in moet worden verstuurd. Het terzijde leggen van schrijfmateriaal is verboden. Elke gevangene moet de hoeveelheid die hij ontving, beschreven of niet, weer inleveren. Dit geldt ook voor de inkt en het potlood en andere voorwerpen." [§ 50]
   Tekenen van een gevangenispsychose in relatie met eenzame opsluiting, zoals in de verdere literatuur wel wordt aangenomen, zijn er niet. Zo'n voorval had beslist teruggevonden moeten worden in zijn werk; dit is echter niet het geval. May vond de eenzame opsluiting eerder aangenaam, dan dat hij er onder leed.

Waldheim
1872

De catecheet van de inrichting, Johannes Kochta, wordt een vaderlijke vriend voor May. De ontmoetingen met de Katholiek laten bij May een onuitwisbare indruk na; hij vindt zichzelf terug.
   29 april: Mays 25-jarige zuster Ernestine Pauline overlijdt in Ernstthal.

Waldheim
1873

Hoewel May luthers is, bespeelt hij bij katholieke kerkdiensten het orgel.

Waldheim
1874

May is tot begin maart in de gevangenisbibliotheek werkzaam.
   2 mei: ontslag uit het tuchthuis. May staat voor twee jaar onder politietoezicht. Een terugblik in zijn latere teksten toont aan, dat hij dan als smidsknecht bij zijn peetoom Weißpflog werkt. In de zomer schrijft hij
Die Rose von Ernstthal.

Waldheim

Ernstthal,
Marktplatz 185


Vertaler: Peter Baanstra, Arbeits- und Forschungsgemeinschaft ›Karl May‹ in Sachsen – Die Karl-May-Vereinigung


Karl May – De jaren 1875–1912

Karl May – Expositie in de Villa »Shatterhand.«

Karl May – Leben und Werk

Karl-May-Stiftung