Schamah
 
 
 
II.

Naar Hebron!

Welke herinneringen hangen er aan de naam van deze oude, beroemde konings- en levietenstad! Men zegt, dat het de oudste stad is van het beloofde land. Volgens Numeri 13, vers 23 bestond ze al drieduizend jaar voor de geboorte van Christus. Naar de traditie van de Middeleeuwen lag in haar buurt de plek, waar God Adam schiep. Vroeger heette ze Kiriath Arba, waar mythische reuzen woonden, en was later de hoofdstad van de Hethieten, waarvan de vorsten daar resideerden. Na de verovering van Kanaan door de kinderen van Israël viel het de familie Kaleb toe. Later bracht koning David hier zijn eerste zeven jaren van zijn regering door. Voor haar poorten werd Abner door Joab vermoord. En de mannen, die Isboseth, de zoon van Saul, gedood hadden, werden op bevel van David hier opgehangen. Van Hebron ging de opstand van Absalom tegen zijn vader uit. De stad viel tijdens de babylonische ballingschap in de handen van de Edomieten, die echter door Judas Makkabëus weer werden verdreven. De romeinen verwoesten haar en verkochten haar inwoners als slaven. De kruisvaarders verhieven Hebron tot bisschopszetel, die ook voor de mohammedanen altijd een heilige plaats is geweest, omdat ze de woonplaats van de patriarchen was. Abraham woonde daar al, en Jakobs tocht naar Egypte begon in Hebron. De moslims noemen Abraham Chalîl er Ramân, vriend van de barmhartigen, waarvan Hebron zijn huidige arabische naam, El Chalîl, gekregen heeft.

Hebron is dus in hoge graad eerbiedwaardig, helaas echter niet vriendelijk voor vreemden, vooral tegen christenen. De bevolking is de meest kwezelachtige van het hele land, ongeveer negenduizend mohammedanen en vijfhonderd joden, die weliswaar zoveel mogelijk geld willen verdienen aan de christenen, maar ze verder als een minderwaardige, zelfs onreine vijand zien, aan wie men zich door aanraking verontreinigd. Een christen, die door de straatjes van Hebron loopt, doet er goed aan, de ogen van de »ware gelovigen« zo min mogelijk op zich te laten richten, anders kan het gemakkelijk gebeuren, dat de jeugd achter hem aanloopt, om hem niet alleen met scheldwoorden, maar ook met compactere dingen te begooien. Deze vijandige verhouding is het duidelijkst te merken door de omstandigheid, dat er in Hebron geen logement voor christenen is, hoewel de stad door een heel goed begaanbare straat met Jeruzalem verbonden is. Het moet nu anders zijn; ik ben in 1900 voor de laatste keer daar geweest.

Als de stad met de vriendelijke naam en de onvriendelijke bevolking ondanks dat dot Europeanen bezocht wordt, hoewel niet zo vaak, dan heeft ze dat alleen aan de christelijke verering van de aartsvaders, in het bijzonder Abraham te danken. Toen Sara stierf, kocht Abraham de dubbele spelonk van Machpela van Ephron, de Hethiet, en veranderde haar in een begraafplaats. Men zegt, dat ze er alle zes begraven liggen, namelijk Abraham, Isaak en Jakob, Sara, Rebekka en Lea. De door de heilige Helena - andere zeggen door keizer Justianus – boven deze plaats gebouwde kerk werd door de moslims in een moskee verandert, die niet mag worden bezocht door christenen. Ze mogen hoogstens de uiterlijke omvang van het heiligdom naderen. Om verder te mogen gaan, moet men een hoge, vorstelijke persoon zijn en een speciale ferman van de sultan bezitten. In de buurt, op Dêr el Arba'in, bevindt zich het graf van Isaï, koning Davids vader. Een half uur van de stad staat de eik van Abraham, en men zegt, dat dit de plek is , waar eens de Hain Mamre gelegen heeft. Bijna elke bijzondere plek in de omgeving is aan de gedachtenis van de patriarchen verbonden, en daarom is het van mij, zo vaak ik in Jeruzalem was, steeds een verlangen geweest, ook Hebron te bezoeken. Zo ook nu.

De volgende morgen, om precies zeven uur, stopte een goed bespannen, geriefelijke, koets voor vier personen voor onze woning. Mustafa Bustani en Thar zaten erin.

»Dus toch!« zei mijn vrouw, toen ze dat zag. »Hij mag mee!«

Ook ik verheugde me er over. De knaap sprong uit de wagen en kwam om om op te halen. Hij was feestelijk gekleed. Gele schoenen, witte kousen, een witte broek, daarover een wit bedoeïnenhemd en een rood vest met gele huzarensnoeren. Op zijn hoofd een rode fez, waaromheen een witzijden halsdoek gebonden was. De knaap zag er vandaag bijzonder achtenswaardig uit.

»Hier zijn we,« zei hij. »Vader vraagt, of jullie komen!«

Dat klonk krachtig en officieel. Zachter en op vertrouwelijke toon voegde hij de vraag er aan toe: »Hebben jullie gisteravond ook gedacht, dat ik klappen zou krijgen?«

»Neen,« antwoordde ik.

»Niet? Ik heb het wel gedacht, heel erg zelfs! En ik zou willen, dat hij me geslagen had.« Hij dacht een ogenblik na en herhaalde toen: »Ja, ja, ik wilde het!«

»Waarom?«

»Als de straf voorbij is, dan is hij ook niet meer boos en niet meer treurig, en dan doet het me ook niet meer zeer. Als ik hem nog te verwachten heb, zoals waarschijnlijk nu, dan heeft hij altijd zulke droevige ogen, en dat veroorzaakt me dubbel pijn.«

»Hoezo dubbel?«

»Nu, ten eerste door zijn ogen en ten tweede over de klappen, die nog moeten komen. Die voelk constant al van tevoren, maar, geheel onnodig, want gewoonlijk krijg ik ze dan niet. Zo zal het misschien vandaag ook zijn. Ondanks dat doen ze me al sinds gisteravond pijn. Hij heeft namelijk geen woord gezegd, geen enkel. En vanochtend vroeg heeft hij me zelf gewekt en ook zelf aangekleed, en toen hij daarbij zo stil was, toen kon ik het niet langer uithouden, maar ik ben hem om de hals gevallen, om hem te kussen, en ik heb hem gevraagd, mij te slaan, maar dan goed, heel goed! Toen heeft hij zachtjes gelachen en alleen zijn hoofd geschud. Ik denk dat dat verkeerd is. Of denk jij, dat het goed is?«

»Wat vader doet, is altijd goed. Dat moet je onthouden!« beleerde ik hem.

»Ook dan, als ik denk dat het niet goed is?«

»Ook dan! Want als jij zo oud bent, als hij nu is, dan zal de ervaring gekomen zijn, dat hij gelijk heeft gehad. Maar kom! Hij is zo punctueel, we mogen hem niet laten wachten.«

»Nog een ogenblik slechts!« smeekte hij. »Ik moet jullie nog zeggen, dat het vandaag vrijdag is, een feestdag dus. Dan is het mij verboden, me smerig te maken. Daarom heb ik geen verf mee. Maar een held ben ik even goed. Het is namelijk helemaal niet nodig, dat men zich beschildert, als men zijn vijanden wil aanvallen. Er zijn ook gevallen, waarin de - -«

»- - de overwinning een echte, en geen beschilderde is,« viel mijn vrouw lachend in. »Je zei gisteren toch, dat je vandaag de bestorming van Jericho wilde schilderen. Heb je toen niet aan de huidige vrijdag gedacht?«

»Neen. Maar met Jericho wordt het toch niets.«

»Waarom?«

»We missen het nodige lawaai er voor. De bazuinen kan men schilderen, de muren ook; maar waar moet men het lawaai vandaan halen, als men het niet maken mag? Het is echt jammer, heel jammer! Zo, nu ben ik klaar. We kunnen gaan.«

We braken dus op en gingen naar de wagen. Net, toen we instapten, reed Osman Achyr, de Ferik-Pascha, op zijn dikke ezel voorbij, om een ochtenduitstapje te ondernemen. Toen hij ons zag, stopte hij zijn dier voor een ogenblik, groette vriendelijk knikkend en vroeg de knaap: »Wat ben je vandaag voor een held?«

Die antwoordde met zijn normale tegenwoordigheid van geest:

»Ik ben Jozua, de veroveraar.«

»Waar wil je naar toe?«

»Naar het land van de kanaänieten, om ze te laten zien, dat we niet bang voor ze zijn.«

»Waar ligt dan dit land?«

»In Chalîl.«

»Pas goed op, mijn jongen! Die mensen slaan er op, zonder eerst om toestemming te vragen«

Hierna reed hij verder. Mustafa Bustani verzekerde ons, dat hij voor alles, wat we onderweg nodig hadden, had gezorgd. Thar zwaaide naast de koetsier op de bok, waar hij zich in elk geval vrijer en hoger voelde als bij ons in de wagen. Toen trokken de paarden op.

De weg voert van de Jaffapoort behoorlijk steil in het Hinnomdal naar beneden, langs de Birket es Sultan (vijver van de sultan) en aan de ander kant weer omhoog, naar de hoogvlakte El Buckei'a, waar aan het eind het klooster Mar Eljâs ligt, vanwaaruit men een wijds, hoogst interessant uitzicht heeft. Men brengt de naam van het klooster in verbinding met de profeet Elia en men beweert, dat uit de bron, die in de buurt ligt, de heilige familie gedronken heeft. Aan de andere kant van het klooster komt men bij het Kubbet Rachil (graf van Rachel), waar Rachel, de vrouw van de patriarch Jakob, begraven werd. Over deze plek staat in Genesis 35: 19-20 geschreven: »Zo stierf Rahel en ze werd begraven aan de weg naar Ephrat, dat nu Bethlehem heet. En Jakob richtte een gedenksteen op op haar graf; dat is het graf van Rahel tot op deze dag«

Hier splitste zich de weg. Links gaat hij naar Bethlehem en rechtdoor naar Hebron. We sloegen de laatste richting in en kwamen na drie kwartier bij de drie »vijvers van Salomo« aan, die in verre voorchristelijke tijd aangelegd waren, om Jeruzalem van water te voorzien. Zo interessant deze vijvers en het in hun nabijheid gelegen slot in geschiedkundig en bouwkundig opzicht zijn, op ons verhaal hebben ze geen invloed, en dus rijden we nu aan hen voorbij. Interessanter is voor mij de brede Wadi el' Arrûb, waar halverwege Jeruzalem en Hebron een »Café« gebouwd is, zodat mensen een dieren een plaats hebben, om uit te rusten. Men moet het zich niet als een europees Café voorstellen, maar als een krap, laag, stenen bouwwerk, waarin een behoorlijk smerige kerel in een smerige pan met smerig water een smerige bouillon kookt, dat hij koffie noemt en aan de voorbijreizende Europeanen voor woekerprijzen verkoopt. Maar de zonde bestaat niet uit het feit, dat hij deze prijzen vraagt - o neen, daarvoor is hij te bijdehand. Als gevolg van de klachten kan dan de vergunning, koffie te schenken, ingetrokken worden. Hij pakt het slimmer aan. Aan de inheemsen vraagt hij de laagste prijs; tegen vreemden zegt hij echter steeds: »Ik neem, wat je me geeft!« Hij is hiervan niet door smeken of dreigen af te brengen, en omdat de voorbijkomende Europeanen bijna altijd welgesteld zijn en daarbij ook nog eens een verheven stemming hebben, en de koffiewaard een zeer hulpbehoevende indruk maakt, dan worden hem prijzen betaald, die geen prijzen meer zijn, maar geschenken of zelfs schatting. Het kwam voor, dat hij voor een klein, oriëntaals kopje koffie, dat de inhoud van twee tot drie vingerhoedjes had, de hand zolang ophield, tot hij, gerekend in duits geld, een mark of nog meer kreeg, daar waar vijf pfennige genoeg waren geweest. Ook ik was altijd »genereus« voor hem geweest, had echter, toen ik de laatste keer bij hem geweest was, gezien, dat hij, toen ik weer verderreed, me achter mijn rug uitgelachen had, en vandaag zou hij daarvoor boeten.

We stopten, toen we het »Café« bereikten, bij hem en stapten uit. Hij haastte zich naar buiten en vroeg naar onze »bevelen«, terwijl hij meer als deemoedig diep boog. Mustafa Bustani »beval« vijf koppen koffie, toen nog een keer vijf en hierna zelfs voor de derde maal vijf. Vijftien koppen dus! Dat trok. De man vloeide over van onderworpenheid; maar hij wist, dat Mustafa Bustani, die voor zaken vaak naar Hebron reisde en hier logeerde, geen vreemde was. Die kon hij niet als europeaan behandelen. Maar toen we weer aanstalten maakten, in te stijgen, trok ik mijn buidel. Toen straalde zijn hele gezicht. Ik vroeg wat de vijftien koppen kostten.

»Geef, wat je wilt,« zei hij.

»Ik geef alleen dat, wat je vraagt!« verklaarde ik.

Dat hielp me echter niets. Hij vroeg absoluut geen prijs. En toen ik hem dreigde helemaal niets te betalen, als hij niets verlangde, antwoordde hij eenvoudig: »Dan schenk ik het je!« Dat was de truc, die steeds lukte. Hij nam aan, dat geen europeaan zich iets door hem liet »schenken«. Toen deed ik net, of ik overwonnen was en gaf hem een frank. De frank is namelijk in Palestina de geliefste zilveren munt. Hij keek er naar, gaf hem weer aan me terug en zei: »Die schenk ik je!« Ik nam het geld terug, gaf hem daarvoor eerst twee frank, toen drie frank. Hij gaf me deze beide terug met de woorden: »Die schenk ik je!« Ik kende de man; ik wist, hoever ik kon gaan. Zijn begeerte naar geld groeide met de hoogte van de gift. Ik gaf hem vier en toen zelfs vijf frank. Bij het laatste bedrag sloot hij inderdaad de hand en maakte een beweging, alsof hij het geld bij zich wilde steken. Daarbij keek hij me onderzoekend aan. Ik zette mijn goedmoedigste gezicht op en maakte een beweging, alsof ik nog dieper in de buidel wilde tasten. Dat was te veel voor hem; hij kon het niet weerstaan. Hij hield me ook nu de vijf frank weer voor en zei op een toon, alsof dit voor hem niets betekende: »Ik schenk je ook dit!«

Toen nam ik het aan, deed het in de buidel, maar expres heel langzaam, om hem zoveel mogelijk in het genot te laten delen, stak de buidel bij me en antwoordde:

»Dan zwicht ik voor je goedheid en neem je geschenk aan. Ik dank je! Tot ziens! Allah zegene jou en je grootmoedige huis voor alle volgende gasten!«

Hierna stegen we in de koets, zonder ons te haasten, want het gezicht, dat hij trok, was het waard om te treuzelen. Hij hield zijn armen wijd uitgestrekt, alsof hij ons wilde vasthouden. Zijn mond stond open. En op zijn gezicht lag een uitdrukking van verbijstering, die bijna aan ontzetting grensde. Hij was sprakeloos, bracht geen woord, geen geluid voort. Toen trokken de paarden op en vielen, om de verloren tijd in te halen, meteen in draf. Toen we bij de volgende bocht van de weg achterom keken, stond de man nog steeds stijf op dezelfde plek. Een algemeen, hartelijk lachen, waar de koetsier zelfs mee instemde, was het gevolg. - De verdere weg biedt geschiedkundig veel interessante dingen, die echter hier niet van belang zijn. In Aïn ed Dirwe is er een mooie van vierkante rotsblokken gevormde bron, waar volgens Handelingen 8 de apostel Filippus de kamerheer van koningin Candace van Ethiopie doopte. Later komt men langs de ruïnes van Beth Zur, die genoemd word in Jozua 15: 58 en Nehemia 3: 16 en in de tijd van de Makkabeeën van groot belang was. Na ongeveer een half uur ligt links van de straat, ongeveer vierhonderd stappen van hem verwijdert, een groot bouwwerk, Haram Ramet el Chalil (heiligdom van Abraham) genaamd, waarin zich een regenput bevindt, de zogenaamde »bron van Abraham«. Met deze plaats zullen we ons nog gedetailleerd bezighouden.

Ver voordat men aan deze plek langs komt, kondigt de nabijheid van de stad zich aan door wijnbergen en tuinen, waarvan de vruchten al in de oudheid een goede reputatie hadden. Zo verteld men bijvoorbeeld, dat de reuzendruiven, die de verspieders bij Mozes brachten, bij Hebron aan de beek Eskol afgesneden zijn. Van hier uit naar de stad moest men nog geen half uur rijden. Vroeger pleegde ik, zo vaak als ik naar El Chalil kwam, bij de oude, eerbiedwaardige en tegen bekenden uiterst gedienstige jood Eppstein te logeren, die, omdat hij uit Duitsland kwam, de duitse taal machtig is en elke Duitser opneemt, zo vaak als het bij de lokale christenhaat voor hem mogelijk is. Vandaag kon ik dat niet, en wel omwille van Mustafa Bustani, met wie we kwamen. Hij zou zich door het bezoek aan een jood voor altijd zijn goede naam hebben geschaad. We reden dus naar een van zijn zakenvrienden, die plaats genoeg had, paard en wagen onder te brengen. Maar of hij dat ook bij ons, namelijk mijn vrouw en ik, zou doen? Gelukkig was de man een van de weinige verdraagzame (tegenover andersgelovigen) mensen, die er hier in Hebron was. Wij werden na enige aarzeling opgenomen, maar gescheiden van Mustafa en zijn zoon en in een klein vierkant kamertje ondergebracht, dat geen ramen had. Om licht te hebben, moest men de deur laten openstaan, die naar een stinkend smerige binnenplaats voerde. Als enig meubelstuk was er een stromat, waarop men kon zitten, als men zo moedig was, dit te wagen. Toen we hier een half uur gezeten hadden, bracht men ons een oude kruik met dood water, dat niet te drinken was. Op onze vragen konden we verder niets ervaren, als dat dit water alles was, wat men ons kon aanbieden, want we waren christenen en geen moslims. Uit deze kruik zou nu niemand meer drinken, omdat hij door ons verontreinigt was. Dat was dus de gastvrijheid van een »tolerante« Moslim. Hoe zou het dan wel niet zijn bij een onverdraagzame?! Ik liet Mustafa Bustani bij me komen. Hij kwam en nam Thar mee. Hij verontschuldigde zich. Men had hem meegedeeld, dat men ons naar onze stand had ondergebracht en verzorgt. Wij deelden hem mee, dat we nu toch naar de jood Eppstein zouden gaan, en Thar was meteen vastbesloten ons te begeleiden. Zijn vader had er niets op tegen. Hij kon zich niet, zoals hij graag zou willen, met ons bezighouden. Nu hij er eenmaal was, bleek dat het voor hem noodzakelijk was zakelijke besprekingen en bezoeken te moeten afleggen, die hem helemaal opeisten en waarbij de knaap hem alleen maar zou kunnen storen. Hij was er ons dus dankbaar voor, dat wij hem wilden meenemen. In eerste instantie stelde hij voor naar de arabier te gaan, die het zadel wilde verkopen. De reis was vanwege dit zadel ondernomen, en daarom was het begrijpelijk, dat deze aangelegenheid het eerst zou worden afgehandeld. Toen vroeg mijn vrouw:

»Is het dan vandaag, op vrijdag, toegestaan te kopen en te verkopen?«

»In dit geval wel,« antwoordde hij. »Wij wonen hier niet, maar zijn voorbijgangers en kunnen niet wachten.«

»Maar wat betreft de gastvrijheid zijn wij toch voorbijgangers, die niet kunnen wachten! Waarom is de Islam toegevend, als het om het verdienen van geld gaat, maar meedogenloos en hard, als het er op aankomt, zijn naaste liefde en goedheid te bewijzen?«

»Ik verzoek je, mijn zakenvriend niet met de islam te verwisselen!« smeekte Mustafa Bustani. »Voor de Islam behoort de gastvrijheid tot de deugden, die voor alle mensen gelden.«

»Ook tegen andersgelovigen?«

»Ook tegen christenen, joden en heidenen.«

»Hoe komt het dan, dat de bewoners van Hebron geen gevolg geven aan de door de Islam voorgeschreven deugden en zich ondanks dat of veelmeer daardoor voor onberispelijke aanhangers van de profeet houden?«

»Deze vraag kan waarschijnlijk niemand beantwoorden.«

»O jawel!« viel ik in.

»Wie?« informeerde hij.

»Onze Thar heeft ze beantwoord.«

»Wanneer?«

»Vanochtendvroeg, toen hij met de Ferik-Pascha sprak.«

De knaap had ons aangehoord. Toen hij hoorde, dat hij een vraag beantwoord had, waarvan zijn vader meende, dat niemand deze kon beantwoorden, voelde hij zich heel belangrijk en riep bevestigend uit:

»Ja, dat klopt! Ik weet steeds meer als andere mensen! Daarom word ik door onze kokkin en haar man staads de 'uitverkorene' genoemd. Wat heb ik dan gezegd, Effendi?«

»Jij hebt de bewoners van Hebron Kanaänieten genoemd, weliswaar overdrachtelijk, maar toch niet zonder goede reden.«

»O ja! Ik heb steeds redenen!«

»Ze zijn namelijk alleen aan de buitenkant moslims, van binnen echter nog steeds Kanaänieten. De fijnzinnigheden van het jodendom en de islam zijn aan hen voorbijgegaan en alleen het bezinksel bleef vastzitten.«

»Dat moet ik onthouden, Effendi, omdat ik de eerste ben, die het gezegd heb. Het jodendom, dat vergeet ik niet, net zomin als de islam. Maar hoe heetten de Kanaänieten eigenlijk allemaal?«

»Hieronder verstaat men de Hetieten, de Jebusieten, de Girgasieten, de Hevieten, de Ammonieten, de Sinieten, de Arkieten, de Semarieten, de Arwadieten, de Hamatieten en de bewoners van Sidon. Deze namen zul je echter niet lang kunnen onthouden.«

»Hier heb je mijn notitieboek. Schrijf ze er alsjeblieft in!«

Hij haalde een klein notitieboek uit de binnenzak van zijn vest en gaf het aan mij. Ik keek er in. Wat er in stond, deed me deugd. Ik zag, dat hij redelijk goed schreef en zich tot nu toe alleen met serieuze dingen had beziggehouden. Ik voegde de elf namen er aan toe en gaf het hem toen terug. Hij las ze onmiddellijk door, om ze in te prenten. Zijn vader ging ondertussen naar de gastheer, om hem te bedanken voor de bewezen gastvrijheid, en keerde toen terug, om met ons de eigenaar van het zadel op te zoeken. De handelaar haalde hem en liet hem zien. Hij verklaarde ook, dat hij hem wilde verkopen en noemde onuitgenodigd de prijs, die ik wel aanzienlijk, maar niet overdreven vond. Het zadel was echt een prachtstuk en datgene, wat er voor gevraagd werd, waard. Toen beging Mustafa Bustani de fout te zeggen, dat niet hij, maar ik de koper was, en onmiddellijk verklaarde de arabier, dat hij met mij niets te maken wilde hebben; hij zag het als een zonde een zadel, waar een mohammedaanse Pascha op gezeten had, aan een christen te verkopen. Daar bleef hij bij, en we moesten onverrichterzake weggaan.

Mustafa Bustani was over deze behandeling zeer boos, maar we waren gedwongen dit rustig te aanvaarden. Hij begeleidde ons naar het graf van Abraham, maar had daarmee ook geen geluk, want overal in de smalle en smerige straatjes, waardoor we kwamen, keek men ons met vijandige ogen aan. Toen we er waren aangekomen, werd ons eenvoudig duidelijk gemaakt, meteen weer om te keren, als we niet het gevaar wilden lopen, door het volk mishandelt te worden. Mustafa Bustani moest zich echter als moslim schamen, op zo’n grote dag, als die van vandaag, christelijke personen naar het heiligdom te brengen! Zo’n onverdraagzaamheid had ik zelfs hier nog niet meegemaakt, want tot nu toe was ik steeds tot bij het eigenlijke, binnenste heiligdom gevoerd, zij het niet naar binnen. Mustafa Bustani vroeg, wat voor een grote dag men dan bedoelde, en nu hoorden we, dat het vandaag de geboortedag en tevens de dag van de verstoting van Ismael was, want Hagar was juist op de verjaardag van haar zoon door Sarah de woestijn in gedreven. Nu was het gedrag van onze ongastvrije zakenvriend, van de kwezelachtige zadeleigenaar en de fanatieke moskeebeambte te verklaren. De herinnering aan de verstoting van hun nationale voorvader verdubbelde de aanwezige felheid. Voor joden was het daar kenbaar gemaakt, zich vandaag niet te laten zien, net zo als voor mij. Dat ik mijn vrouw bij me had, zou gemakkelijk als vernederend opgevat kunnen worden en de verbittering alleen maar vergroten, in plaats van te verkleinen. Daarom moest ik Mustafa Bustani mijn woord geven, nu meteen naar Eppstein te gaan, om bij hem te eten, en de straten van de stad te vermijden en alleen de plekken buiten de stad te bezoeken. Daarvan kwamen er vandaag slechts twee voor in aanmerking, namelijk de eik van Mamre en de Haram Ramet el Chalil. De laatste ligt, zoals reeds gezegd, ongeveer vierhonderd passen van de straat naar Jeruzalem, en dus spraken we een tijd af, waarop Mustafa Hebron zou verlaten en daar aan de weg met de wagen zou stoppen, om ons op de terugweg mee te nemen. Nadat deze afspraak gemaakt was, gingen we uit elkaar. Thar verheugde zich er bijzonder op, dat hij met ons mee mocht, en het bewijs van vertrouwen, dat zijn vader mij gaf, zonder er een woord aan vuil te maken, liet mij ook niet onverschillig.

Mijn oude, brave Eppstein nam ons heel gastvrij op. Hij gaf ons zijn mij welbekende »beste kamer«, die verhoudingsgewijs luchtig op het platte dak ligt. In de dagboeken van mijn vrouw, die zulke dingen graag opschrijft, zijn hierover de volgende regels te lezen: »Het was een zeer hete dag. We kregen een mooie, koele, gewelfde kamer, die twee witgekalkte bogen had. Aan drie kanten ramen en aan de vierde kant de deur. De ruimte was naar plaatselijke verhoudingen uitstekend te noemen. De inrichting bestond uit twee bedden, een op drie oude kisten opgebouwde divan en een tafel met vier stoelen met houten zittingen, die echter met witte zitkussens, die ook nog een volant hadden, waren belegt. Een mooie waterkruik, zoals hij al ten tijde van Christus in gebruik was, stond in een hoek. De muren waren blauw gekalkt. Op een van de stoelen stond een wasservies van messing. Over de schilderijen, die aan de muren hingen, zwijg ik. We kregen een prima Hebronwijn, een frank per fles. Het eten, dat men ons voorzette, getuigde van de grote moeite, die men zich gegeven had, maar de moeite was zeker een betere zaak waard geweest.«

Helaas verhinderden de omstandigheden het het eten op te halen, dat Mustafa Bustani uit Jeruzalem meegenomen had. Ze lagen goed opgeborgen in de wagen en kwamen ons dan later, gedurende de thuisreis, goed van pas.

Tijdens het eten vertelde Eppstein ons, dat er vandaag een groot, mohammedaans kinderfeest was, ter ere van de geboorte van de knaap Ismaël. Dan trekken de kinderen naar buiten, om allerlei vreedzame en oorlogsspelletjes te doen, begeleidt door volwassenen, die het toezicht over hen houden. Daar wordt zoveel over de verstoting en andere ondergane ongerechtigheden verteld, dat het andersgelovigen niet geraden is, voor toeschouwer te spelen. Toen Eppstein hoorde, dat we het voornemen hadden naar de eik en naar de bron van Abraham te rijden, raadde hij ons aan direct weg te gaan, voor het geval zo’n optocht van kinderen een van deze plekken zou naderen. Toen riep Thar verontrust uit: »Weggaan? Vluchten dus? Ik denk er niet aan! Ik en de Effendi, wij zijn niet bang, en onze echtgenote ook niet, want ik heb haar extra gezegd, dat ik een held ben en dat ze in elke nood op mij kan bouwen!«

»Een held?« vroeg Eppstein glimlachend, terwijl hij hem zo aankeek, zoals men kinderen aankijkt, die zichzelf een held noemen.

Daarmee had hij met de knaap echter de verkeerde voor zich. Die stond op van de tafel, trad op hem toe en antwoordde:

»Je lacht me uit? Dat pik ik niet! Ik heet Thar, en wee jou, als ik een wraak tegen jou heb!«

»Dat zou wel gevaarlijk voor me zijn?« grapte de jood.

»Lach je nog steeds? Pas op! Ik ben dan wel pas elf jaar, maar er is in heel Jeruzalem niet een veertienjarige, die ik al niet overwonnen heb!«

»Hou je mij soms ook voor een veertienjarige?«

»Neen. Maar hou oud ben je?«

»Laten we zeggen zestig!«

»Van mijn part zeg je honderd; dat maakt mij niet uit. Let op!«

Razendsnel stond hij achter de rug van de jood en legde hem van achter de armen om het lichaam. Een ruk, een duw, en - Eppstein zat op de grond, precies daar, waar hij zonet nog gestaan had. Dat was natuurlijk het gevolg van de snelheid, waarmee de knaap hem overrompelt had, maar ondanks dat was hiervoor een lichaamskracht nodig, die ver boven de normale van een elfjarige knaap ging. Deze keerde naar zijn plats terug, knikte de jood bevredigend toe en zei:

»Eerst heb je boven gelachen, lach nu maar beneden!«

En Eppstein lachtte, maar heel anders dan eerst. Hij keek naar alle kanten, vooral naar de deur, krabbelde langzaam weer overeind en smeekte met opgeheven hand en op gedempte toon:

»Pst - -! Stil - -! Pst - -! Ik hoop, dat we niets zeggen! Wie had dat gedacht! Je bent een duivelse jongen! Maar de eer gebiedt, dat hierover niet gesproken wordt! Daarom vergeef ik het je!«

Hij ging naar de deur, opende deze en keek naar buiten om zich er van te overtuigen, dat niemand van zijn personeel achter hem gestaan had en misschien iets gehoord kon hebben. Toen vroeg hij aan de knaap:

»Waar heb je eigenlijk deze snelheid en deze verrassende greep geleerd?«

»Bij de club van de leeuwen,« antwoordde de knaap.

»Wat is dat? En hoe en waar?«

»In Jeruzalem. Wij knapen hebben daar vier clubs, om ons te oefenen. De club van de leeuwen houdt zich op bij de Jaffapoort. De club van de olifanten bij de Damascuspoort. De club van de nijlpaarden bij de Stafanuspoort. En de club van de walvissen bij de Siloahvijver. Jullie horen, dat het alleen maar sterke, edele dieren zijn. De leeuwen overwinnen door snelheid en de kracht van hun sprong; dat heb ik hier gedaan. De olifanten lopen elkaar omver, dat is duidelijk. De nijlpaarden rennen met de hoofden tegen elkaar aan, waarbij de sterkere blijft staan, de andere in elkaar stort. En de walvissen vechten alleen in de oceaan. Degene, die de andere onder water geduwd heeft, neemt zijn mond vol water en blaast het in de lucht, zoals walvissen doen. Dan heb je gewonnen! Ik ben lid van alle vier de clubs en nog niemand heeft mij overwonnen. Zullen we eens nijlpaardje doen?«

Hij liet zijn hoofd zinken, om Eppstein te rammen. Die stapte echter snel aan de kant en riep:

»Laat me met rust! Ik ben geen van deze monsters! Ik wilde alleen maar waarschuwen, niet beslopen worden! Zal ik voor de voorgenomen rit een vertrouwde ezeldrijver bestellen?«

»Ja,« antwoordde ik. »Maar graag een, die als dat mogelijk is, geen christenvreter is.«

»Er is er een en die zal ik laten komen. Ik vind het jammer, dat het juist vandaag zo’n dag van haat is en dat men het de dame niet eens toegestaan heeft, de buitenkant van de moskee te bekijken. Ik heb het steeds gezegt en zeg het ook nu weer: Als het geloof van deze mensen zuiver en edel zou zijn, dan zou het niet nodig zijn, hun heiligdommen voor anderen te verbergen!«

Hij verwijderde zich, om iemand naar de ezeldrijver te sturen. Thar pakte echter zijn notitieboekje, om de laatste woorden van de jood op te schrijven. Ze leken hem belangrijk genoeg, om te bewaren. De Hammahr (ezeldrijver) kwam al snel, om onze voorwaarden aan te horen. Hij zag er stuurs uit, was echter een goedmoedig en heel innemend mens. Paarden had hij helemaal niet, ezels waren niet meer te krijgen; vanwege het feest waren ze al dagen van tevoren besproken. Maar er waren drie muilezels, die hij ons kon brengen. Hij was eerlijk genoeg, ons te zeggen, dat hij ze niet om te rijden, maar om karren te trekken had, en dat in het bijzonder een van hen een heel koppig karakter had; maar we moesten blij zijn, dat deze lieve dieren nog vrij waren, sloten een overeenkomst met de man en vroegen hem, ze onmiddelijk te gaan halen.

Als een oriëntaal en vooral de Hammahr belooft, meteen te komen, dan bedoelt hij daarmee, dat hij over een uur of zelfs over twee uur pas kan komen. Deze was echter rechtschapen; hij kwam al na een half uur en hij zou nog eerder zijn gekomen, als hij het niet nodig had gevonden, zijn muilezels vooraf wat op te poetsen. Ik zal ze niet beschrijven, maar gelijk bekennen, dat ik bij de aanblik van hen erg schrok. Ze bestonden uit huid en botten, waren maandenlang niet gewassen noch gepoetst en gekamt en datgene, wat wij als zadels en tuig moesten zien, was louter bij elkaar gezochte rommel, wat echter niet bij elkaar pastte. Vooral het dameszadel was een product van zo’n vermetele en doordachte improvisatie, dat ik de Hammahr voor deze prestatie van vrije, kunstzinnige uitvinding meteen al vooraf een extra bakschisch in zijn hand drukte, een daad, die mij van zijn eeuwige liefde, trouw en aanhankelijkheid verzekerde.

Uiteraard lieten we de arme dieren onmiddellijk voeren. Ze vraten alles wat los en vast zat, ook al het brood, dat zich in Eppsteins huis bevond, en hadden toen nog steeds honger. Het mooiste aan hen waren hun namen. Die van mij heette Güwerdschina; dat betekend in het nederlands »de duif«. Natuurlijk had juist ik die gekozen, die als koppig bekend stond. Und es traf ein: we zouden ons plezier aan hem hebben zowel op een kwade als een goede manier. Toen we namelijk betaald hadden en opstegen, om weg te rijden, bleek, dat Güwerdschina niet mee wilde doen. Ze was niet van haar plaats te krijgen. Ik wendde al mijn rijkunsten aan; de Hammahr zelf probeerde het en de bedienden van Eppstein deden hetzelfde, maar tevergeefs. Ze kenden overigens het stuk vee en verzekerden, dat het zich liever liet doodslaan, dan dat het twee stappen van zijn plaats deed. Wat moest ik doen? Te voet gaan net als de Hammahr? Neen! Ik steeg weer op en beval hem, Güwerdschina te leiden. Toen ging ze namelijk mee. Ik hoopte haar buiten, als we de stad achter ons hadden en ons in het vrije veld bevonden, tot rede te kunnen brengen – en dat lukte me ook, maar niet helemaal. Vriendelijke woorden en liefkozingen hielpen niets, slaag nog minder. Toen probeerde ik het met de duimen, die ik de »duif« tussen de eerste nekwervel duwde, van de zijkant uiteraard. Toen schoot ze vooruit en gehoorzaamde enige tijd, maar niet zolang; toen was ik gedwongen, het experiment van voren af aan te herhalen. Zo moest ik gedurende de hele weg strijd leveren met dit weerspannige dier, die wel een half uur lang tussen tuinen door naar de eik voert, waarvan men zegt, dat hij uit de tijd van de eerste patriarchen stamt. Dit is natuurlijk overdreven. Hij behoort tot de soort Quercus ilex pseudo-coccifera, had aan de onderkant een omvang van ongeveer tien meter en op vier meter hoogte verdeelt hij zich in ontelbare takken, die voor het grootste deel zijn afgestorven. De boom, die al in de zestiende eeuw werd vereert, heeft in elk geval een hoge ouderdom, maar zal niet zo lang meer staan, als hij al gestaan heeft. Het behoort aan de russen, die hier een pension en een uitzichttoren gebouwd hebben, vanwaaruit men tot de Dode zee kon kijken. De sleutel van deze toren is bij het pension te halen; hier noet men een kleinigheid voor betalen. Ik stuurde Thar, om hem te laten brengen en dan weer af te geven. Toen hij dat gedaan had, bracht hij een touw mee, dat hij zich had laten geven.

»Die is voor jouw lieve Güwerdschina«, zei hij, terwijl hij ze mij liet zien.

»Hoezo?« informeerde ik.

»Ik verzoek je, haar in jouw plaats te mogen berijden.«

»Denk je dat je haar van haar plaats kunt krijgen?«

»Met gemak.«

»Weet je een manier?«

»Ja, en die helpt altijd.«

»Waarom heb je mij dat niet meteen gezegd?«

Toen knipoogde hij listig naar mij, lachte, zodat zijn prachtige witte tanden glansden, en antwoordde:

»Omdat ik je een dubbel plezier wil doen; het middel doet echter dubbel plezier als men van tevoren gezwoegd heeft. Let op!«

Hij bond het midden van het touw met een vaste knoop om de staart van de »duif«, zodat de beide einden naar beneden hingen, en klom in het zadel. We wilden opbreken, om nu naar de Haram Ramet el Chalil te rijden. Mijn vrouw zat al op haar dier en ik steeg op het beest, dat Thar tot nu toe bereden had. Wij wachtten dus af, wat de knaap zou doen. Deze liet zich door de Hammahr de beide uiteinden van het touw geven, maar hield ze voorlopig los in de handen.

»Let nu op, hoe snel het helpt!« zei hij. »Laat mij voorop rijden; maak plaats!«

We gingen aan de kant. Toen dreef hij de lieve Güwerdschina aan. Ze kwispelde met haar oren en haar staart, verzette echter geen stap. Toen sloeg hij haar; het hielp niet. Hij brulde tegen haar; hij stootte haar de voeten tegen het lichaam - - tevergeefs. Toen trok hij de beide touwen aan. Daardoor werd de staart omhooggetrokken en over de rug van de muilezel naar voren getrokken. De knaap wond de touwen om zijn lichaam en knoopte ze vast. Zo waren ze goed vastgemaakt en konden dus niet terug. Güwerdschina schrok zichtbaar. Dat was haar nog nooit overkomen! Ze bewoog de oren als de wieken van een windmolen. Ze wilde ook met haar staart zwaaien; dat lukte echter niet. Toen liet ze haar oren hangen en dacht na. De knaap voegde aan deze geestelijke inspanning enige stevige klappen toe. Toen draaide de »duif« zijn kop naar de rechterkant, om naar achter te kijken, maar zag niets. En ze wendde hem naar de linkerkant, om naar achter te kijken, kon echter ook hier de staart niet zien, ofschoon ze zich de grootste moeite getrooste, hem te bewegen.

»Nu wordt ze doodsbang!« lachte Thar. »Ze denkt, dat de staart weg is. Ze denkt, dat daar achter iets verschrikkelijks gebeurd. Nu gaat ze lopen, wat ze lopen kan!«

Nauwelijks had hij dat gezegd, of Güwerdschina liet een hartverscheurend hinniken horen, maakte een ronde kattenrug, deed enige zijsprongen naar rechts en links en schoot toen met een snelheid vooruit, alsof ze haar schedel wilde verwonden. Er was een vaste zit voor nodig, om er niet af te vallen, maar Thar bleef zonder moeite in het zadel zitten. Wij volgden hem zo snel mogelijk en hartelijk lachend, want bij de angstige, tragikomische bewegingen van de muilezel was het bijna onmogelijk, ernstig te blijven.

De nieuwe weg voerde langs de ruïnes van het dorp Chirbet en Nasara naar de straat van Jeruzalem. Daar haalden we de knaap in, die trots op zijn dier zat, dat hem nu heel redelijk gehoorzaamde. Vanaf de straat gingen we toen de genoemde vierhonderd stappen naar de »bron van Abraham«, die in een hoek van een vierkant, groot bouwwerk van muren ligt. Waar deze muren voor bestemd waren geweest en of ze ooit uitgebouwd waren geweest, dat weet men niet. Nu ligt het in puin. De blokken zijn helemaal zonder cement op- en tegenelkaar aan gelegd en vaak tot vijf meter lang. In Baalbek heb ik weliswaar dergelijke blokken van meer als negentien meter lengte gezien, maar vijf meter bewijst ook al genoeg, dat men in de tijd, dat de muren ontstonden, aanzienlijke lasten kon bewegen. In de buurt ligt nog een andere regenput, die men »het bad van Sara« noemt. Ook zijn er hier twee in de rotsen aangebrachte oliepersen aanwezig en niet ver daarvan de ruïne van een grote kerk, waarschijnlijk de basiliek, die Constantijn de Grote bij de »Terebinten van Mamre« bouwde. Men noemt deze plek nu nog het »Terebintendal« en er zijn redenen aan te nemen, dat hier de streek van het vroegere bos van Mamre te zoeken is.

Toen we het vierkant van muren bereikten, zagen we een armelijk geklede arabische, die met een klein meisje in de bronhoek zat. Toen ze ons zag, trok ze zich direct van het water terug. Wij putten voor onze dieren en toen ze gedronken hadden, maakte mijn vrouw aanstalten de plek te fotograferen. Toen de Hammahr dat zag, bracht hij zichzelf en zijn muilezel onmiddellijk in veiligheid, want hij was van mening, dat alleen christenen en joden tegen fotograferen konden, maar dat elk ander creatuur, of het nu een mens of een dier was, daaraan te gronde zou gaan. Uiteindelijk dreef de nieuwsgierigheid hem echter toch naar de nabijheid van de steen, om toe te kijken. Hij zag het »oog van het monster«, namelijk de lens van de camera, op mij naar de hoek gericht en was er van overtuigd niet getroffen te worden; de zon echter had hem echter ook aan het licht gebracht. – Eigenlijk hadden we hem en zijn muilezel niet meer nodig. We bevonden ons op de plaats van bestemming en konden de paar honderd stappen naar de straat, waar we op Mustafa Bustani moesten wachten, ook te voet afleggen. Dat zei ik tegen hem, toen we klaar waren met het fotograferen, en betaalde hem. Gierigheid en afdingen is in het verkeer met andere mensen nooit mijn stijl geweest. Men komt met open hand beduidend verder dan op de weg van de gierigheid. Zo ook hier. De Hammahr telde, wat ik hem gegeven had, en zei toen:

»Dat is te veel, Effendi.«

»Neen,« antwoordde ik. »Ik geef het je graag. Je bent vriendelijk en hoffelijk geweest en hebt deze bakschisch dus verdient.«

»Ook als bakschisch is het te veel. Maar misschien verdien ik hem nog beter. Ik zal deze plek niet erder verlaten, dan wanneer jij hem ook verlaat. Ik heb niets anders te doen en het is niet uitgesloten, dat ik je nog van dienst kan zijn.«

Wat Thar betreft, wij hadden gedacht, dat hij zich voor het fotograferen interesseren zou; hij deed dat echter niet. De vreemde arabische met haar dochtertje oefenden grotere aantrekkingskracht op hem uit, dan het hem welbekende, zwart omhangen apparaat. Hij probeerde bij ze te komen. Hij slingerde op echte jongensmanier eerst van verre om hen heen, kwam steeds dichterbij, zat toen plotseling tussen ze in en praatte met een imtimiteit als of hij allang een goede bekende van ze was. Toen ik, nadat we klaar waren met fotograferen, weer met mijn vrouw bij de bron zat, bracht hij het kleine meisje naar ons toe. Haar moeder bleef zitten. Het kind had een heel lief, teer, maar ondanks dat een kerngezond gezichtje, licht blozende perzikwangen en grote, blauwgrijze zijdeachtige ogen, waarvan de blik zo diep uit haar binnenste leek te komen, dat het als een lieftallig, maar nog volledig onberoerd raadsel werkte. Een overvloed van lichtbruin glovend haar kwam onder haar rode kapje vandaan. Het ene kleine, zonverbrande handje hield enige lange, grote klokjesbloemen vast. Het andere verstopte zich in de vouwen van een dun, maar smetteloos jurkje en de snoezige, bruingebrandde voetjes met de minuscule, ivoorachtige miniatuurnagels aan de fijne tenen maakten een zo eigenaardige indruk op me, dat er een oneindig medelijden en de wens in me opkwamen, dit net zo mooi als arm kind op de een of andere manier een echt, echt grote dienst te kunnen bewijzen. Precies hetzelfde voelde, zoals ze me later vertelde, ook mijn vrouw.

»Dit is mijn nieuwe vriendin,« zei de knaap, terwijl hij haar naar ons toeschoof.

»Hoe heet ze dan?« informeerde mijn vrouw.

»Dat weet ik niet. Vraag het haar zelf! Ik heb het alleen nog maar met haar over de volgende drie dingen gehad: namelijk dat ze me bevalt, dat ik en held ben en dat ik voor haar zal vechten.«

»Ik ben Schamah,« zei het kind, de klemtoon leggend op de tweede lettergreep van het woord; »en daar is mijn moeder!« Het andere handje kwam uit de vouwen te voorschijn gekropen en richtte de uitgestrekte vinger op de arabische. De stem klonk zacht, maar indringend; ze had een toon, die niet af te wijzen was.

»Wat betekent Schamah?« vroeg mijn vrouw aan mij, terwijl ze het kind tegen zich aantrok en het liefkoosde.

»Het is de oostjordaanse uitspraak van Samah, vergeving,« antwoordde ik.

»Jij klein, zuiver zieltje,« glimlachte mijn vrouw tegen het kind; »jou zal men nog wel niets te vergeven hebben!«

»Ik kom jullie klokjes brengen,« glimlachte Schamah terug. En de bloemen bij het oor van mijn vrouw houdend en daar bewegend, vervolgde ze: »Nu luid ik ze. Kun je het horen?«

»Ja, ik hoor het.«

»Niet waar? Heel zachtjes, zachtjes, zachtjes, als vanuit de hemel! Maar als ze groter zijn gegroeid, zo groot, als ze in een kerk hangen, dan zal de hele wereld ze kunnen horen luiden.«

»Je spreekt over de kerk?« vroeg Thar. »Ben je soms een christin?«

»Ja, een christin,« knikte ze.

»Je moeder ook?«

»Zij ook.«

Toen sloeg hij zijn handen in elkaar en riep:

»Dat is mooi! Dat is goed! Daar ben ik blij om!«

»Waarom?«

»Juist omdat ik een held ben en omdat ik voor je wil vechten. Voor een mohammedaanse kan men geen heldendaden verrichten. Die wikkelt zich in doeken en strompelt, zo lelijk als een kikker, met houten pantoffels aan de voeten. De christinnen echter kan men zien en dat is nodig, als men geestdriftig genoeg wil zijn, het leven voor haar in de waagschel te leggen. Mensen zoals wij moeten zich toch ook laten zien! Weet je, ik kijk er naar uit, voor je te vechten?«

»Zoals je er nu uitziet! Of niet soms?«

»Neen. Mijn huidig uiterlijk is niet dapper genoeg. Weet je, de kleuren moeten de vijand al doen schrikken! Daarom beschilder ik me, zodra ik ten strijde trek. Mijn gezicht is aan de ene kant blauw en aan de andere kant groen - - -«

»Foei!« onderbrak ze hem.

»De benen verf ik rood en de armen geel -«

»Foei, foei!«

»Op mijn rug heb ik witte en zwarte strepen van boven naar beneden, en aan de voorkant heb ik zwarte en witte strepen van links naar rechts.«

»Foei, foei, foei!«

»Bevalt het je niet?« vroeg hij, half verwondert, half teleurgesteld.

»Neen, helemaal niet! Ik wil je zo hebben, zoals je bent, niet beschildert!«

»Goed, dan blijf ik, wie ik ben! En nu ik over de zaak nadenk, vind ik dat je gelijk hebt, helemaal gelijk. Als ik namelijk met mijn vijanden strijd, dan moeten zij er toch blauw, geel en groen uitzien, maar ik niet. Dat zal ik onthouden. Onze vier clubs moeten nieuwe en betere regels hebben. Hij namelijk, bij wie men verf ontdekt, moet als overwonne worden beschouwd! Ter wille van jou ben ik graag bereid alle regels, die niet meer deugen, af te schaffen!«

Hij richtte zich zo hoog mogelijk op en bewoog zijn armen zo overtuigend, dat ze haar grote ogen bewonderend op hem richtte en hem vroeg:

»Ja, ik geloof het wel, dat je een held bent; maar wat is dan de reden, omwille van mij, andere dood te slaan?«

»Zo’n reden is er altijd wel, vooral als men naar hem zoekt. Misschien komt hij daar aan. Kijk daar!«

Hij wees naar de omgeving van de kerkruïne, waarachter mensen vandaan kwamen, die we tot nu toe niet ondekt hadden. Het waren tien tot twaalf mannen, die op ezels reden, met achter hen aan een stoet van wel veertig tot vijftig knapen, die vlaggen en allerlei kinderwapens droegen. Enkele van hen waren voorzien van lawaai-instrumenten, die ze nu, omdat ze ons zagen, lieten horen. Dat was een van de kinder-feestoptochten, die vandaag de omgeving van de stad verlevendigden.

»Kan dat niet gevaarlijk worden?« vroeg mijn vrouw. »Moeten we niet snel weggaan!«

»In geen geval,« antwoordde ik; »en zeker niet snel! We moeten alle schijn, dat we bang zijn, vermijden. We zullen bij het water weggaan, maar niet meteen. Ik hoop, dat ze ons willen groeten!«

Der Zug hatte jetzt den Platz erreicht. De mannen stopten bij onze Hammahr en vroegen hem naar ons. Daar hoorden ze weliswaar, dat we christenen waren, maar in elk geval geen slechtere dingen. Schamahs moeder verliet haar plaats en kwam naar ons toe. Ze was bang voor de fanatieke mensen uit El Chalil en vroeg, of ze zich bij ons mocht aansluiten om samen met ons deze plek te verlaten. Ze was christin, een weduwe uit de buurt van El Kerak aan de andere kant van de Dode zee, en met haar dochtertje op een pelgrimage naar de heilige plaatsen van Bethlehem en Jeruzalem. Ze was weliswaar arm en eenvoudig, maar – ik zou deze uitdrukking willen gebruiken - arabisch chic gekleedt en de manier, waarop ze zich uitdrukte, was niet die van een gewone arabische. Ze was ook mooi, maar van die zwaarmoedige, vergeestelijkte schoonheid, die een dochter van het leed en niet die van het geluk is. Mijn vrouw reikte haar de hand en trok haar tegen zich aan en zei haar, geen zorgen te hebben; er zou haar niets gebeuren.

Nu kwamen de ruiters op ons toe. Op enige schreden afstand van ons stopten ze en stegen af. Men zag, dat het niet in hun bedoeling lag, ons te groeten. Dat kon ik niet dulden, want dat zou de onbeschaamdheden, die ik wilde vermijden, juist veroorzaakt hebben. Er is een bepaalde blik, die altijd werkt, als men hem de nodige standvastigheid weet te geven. Toen richtte ik me aan degene van hen, die de voornaamste leek te zijn. Hij werd verlegen, legde zijn hand op zijn borst, maakte een kleine buiging en zei:

»Sallam!«

Dat klonk heel kort.

»Sallam!« antwoordde ik daarom net zo kort, zonder dat ik opstond.

»Sallam!« antwoordde ook de knaap.

»Ik ben Abdullah, de schrijver van de Schech el Belad (burgemeester)!« roemde de Hebroniet zichzelf.

Noch voor ik antwoorden kon, antwoordde de knaap:

»En deze Effendi van mij is de opperste schrijver van de burgemeester van Duitsland! In zijn zakken stromen alle belastingen. Hij zet in of af, wie hij wil. Hij is naar El Chalil gekomen, om voor de Russen de eik van Abraham te kopen en mee naar huis te nemen. Heil zij hem!«

Toen hij dat gezegd had, nam hij zijn »nieuwe vriendin« bij de hand en ging met haar naar de knapen van Hebron. Ik vergat hem helemaal te waarschuwen, zo ontzet was ik over zijn schaamteloosheid, waarmee hij zijn dolle beweringen naar voren gebracht had. Maar het onverwachtte gebeurde. De mannen namen het ernstig op. Ze spraken kort en zachtjes met elkaar; toen maakten ze allen een diepe buiging en Abdullah zei:

»Effendi, je bent een groot, een machtig heer, maar helaas een christen. Daarom mogen we je niet uitnodigen onze gast te zijn, en zullen met de spelen voor de jeugd pas beginnen, als je deze plek verlaten hebt.«

Dat was een directe uitnodiging, om ons uit de voeten te maken. Toen gingen ze met hun ezels weg, naar een plek verderop. Een minder vreedzame scene speelde zich daar af, waar Thar en Schamah de knapen van Hebron tegen het lijf gelopen waren. De laatsten waren opgewonden. Ze brulden iets, wat we niet verstonden, omdat ze allemaal door elkaar heen riepen. De knaap stond onbevreesd voor hen, had de linkerarm beschermend om het meisje heen gelegd, bewoog zijn rechterarm dreigend in de lucht en hield een redevoering, die wij ook niet verstonden. De moeder had angst om haar kind. Ik kalmeerde haar. We naderden de levendige, schreeuwende groep. Toen de knaap ons zag komen, riep hij tegen ons:

»Er is niets aan de hand! Ze willen Schamah verdrinken – in het water, daar waar jullie gezeten hebben! Omdat ze een christin is en het huidige feest bezoedelt. Toen heb ik gezegt, dat ik dat niet duld, maar voor haar zal vechten. Nu kiezen ze een aanvoerder, met wie ik moet onderhandelen. Daar is hij al!«

Hij wees op een grote, robuuste jongen, die nu uit de menigte kwam, om, zoals volwassenen dat doen, voor de strijd een rede te houden. Hij nam een houding aan en schreeuwde naar Thar en ons:

»Jij bent een christenhond en zij is een christenmeisje, nog lager dan een hond dus. We zullen haar verdrinken, daar waar de regenput zo diep is, dat deze helemaal geen bodem heeft. Wij zijn ware, strenge und gehoorzame gelovigen van de profeet. Wij kunnen het niet toestaan, dat vandaag, op de geboortedag van Ismaël, de voeten van een christin deze bodem beroeren. Ze moet dus sterven. Maar je wilt om haar vechten, omdat je zegt, dat je een held bent. Wij zijn ertoe bereid, want wij zijn ook helden. Ik roep je op, mij jouw voorwaarden te zeggen!«

Toen de moeder van Schamah dat hoorde, werd ze heel angstig. Ik verklaarde haar echter, dat het zich inderdaad om een echte toorn handelde, maar dat het zich bij de uitvoering ervan om een spel handelde; vandaag was het de »dag van de jeugdspelen«. Ze kon er zeker van zijn, dat haar kind niets zou gebeuren. Ze hoefde Schamah niet bij onze knaap vandaan te halen.

Deze zei juist tegen het kind:

»Jij bent de koningin van de spelen, die voor je ogen zullen plaatsvinden. Kom, ga zitten!«

Ze nam plaats op een steen, waarnaast hij stond. Toen trok hij zijn notitieboek uit zijn vestzak, sloeg het open en begon zijn repliek:

»Jullie noemen me een christenhond, maar ik ben een moslim uit Jeruzalem, dat groter is als jullie El Chalil. Maar wie zijn jullie?« Hij las het volgende voor: »Jullie zijn Kanaänieten, Hetieten, Jebusieten, Girgasieten, Hevieten, Amorieten, Sinieten, Arketen, semarieten, Arwadieten, Hamatieten en inwoners van Sidon! De fijnzinnigheden van de Islam zijn aan jullie voorbijgegaan en alleen het bezinksel is vast blijven zitten! Als jullie geloof zuiver en edel zou zijn, dan zou het niet nodig zijn, jullie heiligdommen voor anderen te verbergen!«

Hij stak zijn notitieboek weer bij zich en vervolgde:

»Jullie noemen mijn vriendin hier nog lager als een hond. Zoiets zegt een held niet. Ik ben er echter een en daarom ben ik hoffelijk, ook tegen jou. Ik zal met je vechten, maar niet zoals het bij jullie: veel tegen een, maar zoals het in Jeruzalem de gewoonte is: Man tegen man. Jullie moeten je in leeuwen, olifanten, nijlpaarden en walvissen veranderen. Jullie kiezen de dapperste leeuw, de machtigste olifant, het sterkste nijlpaard en de grootste walvis uit jullie gelederen. Met deze vier monsters zal ik vechten. Als een van hen mij overwint, dan mogen jullie mij verzuipen, haar echter niet, om wie ik vecht. Als ik echter van alle vier win, dan krijg ik - - -«

»Hier mijn klokjesbloemen!« riep Schamah, terwijl ze het kleine handje met de bloemen omhoogstak.

»Ja, deze klokjesbloemen van jou,« stemde Thar in »Jullie Hebronieten moeten echter om haar en mij heen gaan zitten, zodat ik jullie kan uitleggen, wat het met leeuwen, olifanten, nijlpaarden en walvissen te maken heeft!«

Ze gehoorzaamden onmiddelijk en met blijdschap. Enige ogenblikken lang was het een wirwar van mensen door elkaar heen; toen trad echter een diepe stilte in, waarin alleen de verklarende stem van de knaap te horen was. Toen ze allemaal begrepen, waar het om ging, verhief zich een groot gejubel. Zoiets was er nog nooit gebeurd! Eenieder probeerde een monster te mogen worden, en temidden van al deze monsters, die naar wraak dorstten, zat Schamah, de vergeving, en vredig lachje op haar lieve gezicht en zonder angst gewond te raken. En zonderling, niet alleen de jongeren, maar ook de ouderen werden geestdriftig. Ze kwamen erbij staan. Ze kozen mee en beslisten mee. Ze paalden het strijdperk af en Abdullah, de schrijver van de Schech el Belad, had zelfs de goedheid, de orde- en veiligheidspolitie in eigen hand te nemen. Van geloofstwist en godsdiensthaat was geen sprake meer.

Het strijdperk vormde een vierhoek, die aan de noordkant door de leeuwen, aan de zuidkant door de nijlpaarden, aan de oostkant door de olifanten en aan de westkant door de walvissen ingesloten. Schamah zat aan de zuidzijde op haar troon, om alles goed te kunnen zien. Deze troon was Güwerdschina, de muilezel, de veiligste plek, die bleef staan. Op de hoeken zaten de muzikanten, eine Tarabukka (trommel), eine Nakara (tamboerijn), ein Nefir (trompet) en een Suffara (dwarsfluit). Die waren verplicht, het grootst mogelijke lawaai te maken, zo vaak als onze knaap op de grond was geworsteld. Want dat hij zou kunnen winnen, dat hielden de Hebronieten voor onmogelijk. Ze hadden hun sterkste knullen uitgezocht. De voorwaarden waren heel eenvoudig: Wie als eerste drie monstersoorten op de grond kwam te liggen, die had verloren. De strijd der walvissen moest echter in de regenput plaatsvinden. De winnaar moest zijn tegenstander ondergedompeld hebben en moest hem dan nog openlijk een hele mond vol water in het gezicht blazen. Voor het begin van de strijd werd de vier helden uit Chalil gevraagd, of ze er misschien over peinsden, terug te treden. »Voor geen prijs!« antwoordden ze. Toen gaf Abdullah, de schrijver, het teken, dat de tijd voor de strijd tussen de leeuwen aangebroken was. De leeuw uit Hebron trad naar voren. Het was dezelfde grote, robuuste jongen, die de redevoering gehouden had. Hij trok, toen hij alle ogen op zich gericht zag, een zeer optimistisch gezicht. Thar stond bij ons.

»Let op, hoe snel het gaat!« zei hij. »De hoofdzaak is, dat men de vijand niet de tijd geeft, na te denken.«

Toen betrad hij het strijdperk, ging naar Schamah, boog voor haar en ging tegenover de vijand staan. Dit ridderlijk gedrag kende hij vast uit een of ander sagen- of sprookjesboek. Nu sloeg Abdullah de handen drie maal op elkaar. Het ogenblik was aangebroken.

De tegenstander aarzelde niet. Hij nam een aanloop. Thar liet hem vlak bij zich komen, sprong toen aan de kant, pakte hem van achteren beet en knikte hem, net zo als de oude Eppstein, op de grond neer, hield hem daar vast en riep tegen de muzikanten:

»Roep hem maar uit tot overwinnaar!«

Ze bleven natuurlijk stil. De overwonnene stond langzaam op en sloop met neerhangend hoofd weg.

Hierna volgde de strijd tussen de olifanten. De vijandelijke was een lompe knaap, die twee keer zo sterk als onze knaap leek. Deze laatste knikte ons echter lachend toe. Dat was een goed teken. Hij had gezegt, dat de olifanten elkaar in de club eenvoudig omver moesten lopen. Hij deed nog meer dan dat en anm zich voor, deze niet omver te lopen, maar omver te springen. Hij nam, toen het teken gegeven werd, een krachtige aanloop, slingerde zich omhoog en sprong de tegenstander eenvoudig omver. Op hetzelfde ogenblik knielde hij op hem en riep tegen de muzikant:

»Lang leve hem, hoera, hoera!«

Algehele stilte rondom. Alleen Abdullah, de schrijver, riep toornig uit:

»O wee! Al twee! Dat mogen we niet accepteren! Hier met het nijlpaard! Die moet hem neerstampen!«

Het nijlpaard verscheen. Het was een korte, dikke kerel, met heel veel vet, maar weinig spieren. Die draaide onbevreesd met de ogen en had goede moed. Hij boog zijn hoofd hangen als een hardloper, nog voor het teken gegeven werd. Toen renden ze op elkaar af. Het was een geweldige botsing; toen lag het monster uit Hebron op de grond, met zijn benen in de lucht, hield met zijn beide handen zijn hoofd vast en brulde, alsof men op het punt stond, het aan het spit te braden. De knaap stond echter nog rechtop en lachte naar de muzikanten:

»Jullie hoeven niet te trommelen en te blazen: dat doet hij zelf!«

Nu moesten de reuzen van de oceaan laten zien, wat ze konden. Het vierkant ging uit elkaar. Men ging naar de regenput, waarin de diepte de laatste beslissing zou vallen. Thar was de eerste, die daar aankwam; hij stond klaar, om er in te klimmen. De Hebronieten waren minder snel. Het langzaamst bewogen de walvissen zich. De allerlaatste van hen die aankwam, was hij, die met Thar moest vechten. Hij trok een heel verlegen gezicht, ging op de rand staan, keek naar beneden en zei:

»Ik doe het niet meer!«

»Je hebt het aangenomen en moet er in!« verklaarde Abdullah, de schrijver.

»Voor geen prijs! Ik ga!«

Hij draaide zich om en rende weg.

»Dan moeten we een nieuwe kiezen!« zei Abdullah.

Toen klonk er uit zoveel kelen, als er nog walvissen waren:

»Voor geen prijs! Voor geen prijs! Ik ga - - ik ga - - - ik ga!«

Ze verdwenen - - de een na de ander - - - tot er geen walvis meer in de buurt, alleen nog in de verte te zien was. De leeuwen volgden, zonder adieu te zeggen. De nijlpaarden verkruimelden zich samen met de muzikanten op geheel dezelfde manier. De olifanten sukkelden het meest alleen, maar ook met z’n tweeën en drieën er achteraan. Het allerlaatst reden ook de volwassenen weg, zonder ons een woord of een gebaar van afscheid te gunnen. Toen wendde de knaapzich tot Schamah:

»Geloof je nu, dat ik een held ben?«

»Ik geloofde het meteen!« antwoordde ze. »Je hebt gewonnen. Hier zijn de bloemen.«

Ze gaf ze aan hem. Hij nam ze aan en gaf ze aan mijn vrouw en vroeg, om ze voor hem te bewaren; zij kon dat beter dan hij. En nu zagen we in de verte een andere, beduidend grotere feestelijke optocht aankomen, die ogenschijnlijk ook hierheen wilde. Die hadden onze tegenstanders met hun scherpe, geoefende ogen al lang gezien. Vandaar hun haast om hier weg te komen. Ze wilden zich door de nieuwaangekomenen niet te schande laten zetten. Maar ook wij hadden geen reden, hier nog langer te blijven, vooral omdat het bijna de tijd was, die we met Mustafa Bustani afgesproken hadden ons te ontmoeten. Op onze vraag hoorden we van de arabische weduwe, dat ze vandaag slechts tot de eik van Abraham wilde gaan en daar de nacht in het russische pension wilde doorbrengen. Ze had gehoord, dat men daar onbemiddelden herbergde. Toen verklaarde onze vriendelijke Hammahr, dat ze met haar dochtertje niet hoefde te lopen, maar mee kon rijden, want hij keerde over dezelfde weg naar de stad terug. Ze nam het dankbaar aan. Toen de knaap dat hoorde, vroeg hij me zachtjes:

»Heb je een twintigfrankstuk bij je, Effendi?«

»Ja,« antwoordde ik.

»Schenk het me, alsjeblieft, maar laat het niemand zien!«

Ik vermoedde, wat hij wilde, en gaf hem stiekem het verlangde. Toen steeg de moeder met het kind op de ene muilezel en de Hammahr nam de tweede. Thar zwaaide zich op Güwerdschina en zei: »Ik rij mee tot de eik, dan keer ik te voet naar de straat terug. Voordat vader komt, ben ik daar.«

Hij trok de duif zijn staart in de hoogte, waarop ze onder luid gehinnik wegschoot. Mijn vrouw vertelde de weduwe onze namen en onze verblijfplaats in Jeruzalem en vroeg haar, ons in elk geval daar op te zoeken; we zouden ons oprecht en hartelijk verheugen, haar en haar dochtertje weer te zien. Ze beloofde het te doen en de manier, waarop ze dit verzekerde en afscheid van ons nam, gaf ons de garantie, dat ze woord zou houden. Toen reden ze weg, om Thar in te halen. Wij beiden maakten echter nog een korte wandeling door de omgeving, maar zo, dat we elke ontmoeting ontweken. Toen we dan ons rendezvous bereikten, wachtte Thar al op ons.

»Ze zijn arm, heel arm,« zei hij. »Daarom ben ik naar het pension gereden, om voor ze te zorgen, maar zonder dat ze het weten.«

»Weten ze je naam?« vroeg ik.

»Ja.«

»En weten ze hoe je vader heet?«

»Neen. Je weet toch, dat de profeet zegt: Wie de arme iets geeft, die geve alles, behalve de naam van zijn vader. Zonder dat vind ik ze ook wel terug in Jeruzalem; daar kun je zeker van zijn.«

Al snel kwam Mustafa Bustani met de wagen aan. Hij was verheugd te horen, dat ons en zijn zoon door de bevolking niets was aangedaan, en deelde ons mee, dat er verscheidene botsingen tussen muzelmannen en joden waren geweest. Hij was zelf zo geërgerd geweest over de ongastvrijheid van zijn zakenvriend, dat hij het afgeslagen had, met hem te eten. Nu had hij honger. Daarom zochten wij, zodra we waren ingestegen en de wagen zich weer in beweging gezet had, al het eetbare bij elkaar, wat we die ochtend meegenomen hadden, en hielden een zogenaamd avondeten »op vier rollende wielen.«

Gedurende de thuisreis gebeurde er niets, wat belangrijk genoeg was, verteld te worden. Ik kan hooguit zeggen, dat we, toen we de Wadi el' Arrub bereikten, weer stopten, om het daar liggende Café te bezoeken. De waard kwam naar buiten en vroeg naar onze wensen, maar op heel afgemeten manier.

»Vijf koppen!« beval Mustafa Bustani. Ze werden gebracht en gedronken. Toen trok ik mijn buidel.

»Hoeveel kosten de vijf?« vroeg ik.

»Precies een halve frank,« antwoordde hij.

»En de vijftien van vanmorgen?«

»Anderhalve frank.«

»De twintig samen dus?«

»Twee frank.«

Ik gaf hem twee frank, geen para meer.

»Hier! Klaar!«

Hij greep snel toe en stak het geld snel in zijn zak en maakte een diepe en, naar ik geloof, deze keer een echte oprecht gemeende buiging en zei. »Dank je, Effendi! Je bent rechtvaardig en wijs. Dat jullie thuisreis gezegend zij!«

En ze was ook gezegent. Mustafa was boos over het fanatisme van zijn geloofsgenoten en had er niets op tegen, dat zijn zoon tijdens de gehele rit bijna dweepte met de kleine christin. Toen Bethlehem voor ons opdook, haalde hij diep adem en zei:

»Er is veel liefde en veel goedheid van dit kleine stadje uitgegaan, meer dan van al onze grote, beroemde bedevaartsoorden. Vandaag wordt ik weer eens echt onverbiddelijke en oprecht aan mijn eigen zelotisme herinnert. Wat heb je de Hebronieten gedaan? Niets. En toch verstoten ze je! Wat een liefdeloosheid en ongerechtigheid! En wat had mijn broer gedaan? Niets. En toch verstootte ik hem, hem, mijn eigen lijflijke broer! Ik was dus nog veel liefdelozer en nopg veel onrechtvaardiger dan de kanaänieten van El Chalil! Ik heb steeds aan hem moeten denken – gedurende de hele namiddag – tot nu, nu het avond wordt.«

»Hoe heette hij?« vroeg mijn vrouw.

»Achmed Bustani. Jullie horen, dat wij ook al een familienaam hebben. Ik heb geen grotere wens, dan dat hij nog leeft en zich door mij laat vinden!«

»Zou je je vermogen echt met hem delen?«

»Natuurlijk, meteen! Niet alleen, omdat ik het de stervende beloofd heb, maar omdat het ook een verlangen van mezelf is. Sinds die droom is er iets eigenaardigs in mijn binnenste, wat me nu tijdens de terugweg meer als anders bezighoudt. Het is net, alsof daar buiten bij de 'bron van Abraham' iets onzichtbaars met jullie in de wagen gestegen is, wat me gegrepen heeft en me niet meer wil loslaten. Het is waarschijnlijk niets anders als de herinnering aan een goed te maken onrecht. Maar zonderling, het kwelt me niet, het doet me veelmeer goed; het bevredigt me; het graaft zich in me vast, niet om me te pijnigen, maar om me te kalmeren. Zullen jullie me niet uitlachen, als ik jullie iets zeg, wat jullie niet begrijpen?«

»Dat komt niet in ons op!« antwoordde ik. »Spreek gerust!«

»Ik heb het gevoel, dat ik vandaag weer van mijn broer zal dromen. Is dat niet belachelijk?«

»Helemaal niet.«

»Dus je denkt, dat het mogelijk is?«

»Zeker.«

»Maar geheimzinnig!«

»O neen! Wij mensen maken maar al te vaak de fout, heel natuurlijke dingen mystiek te behandelen. Het beeld van je broer is door de gebeurtenissen van vandaag in je gedachtegang geschoven. Je geeft het niet meer weg. Je hebt het tot nu toe vastgehouden en zal het ook verder nog vasthouden. Dan is het toch wel geen wonder, maar in tegendeel heel vanzelfsprekend, dat je jezelf, thuisgekomen, dan ook in een droom zich met hem bezighoudt. Als hieraan iets wonderlijks is, dan zeker alleen dat, dat we ondanks alle ervaringen nog zo dwaas zijn, het in de natuur gegevene als onbegrijpelijk wonderbaarlijk, het door ons uit haar onnatuurlijk gemaakte echter voor natuurlijk houden!«

Nu reden we aan Rachels graf en de Mar Eljas voorbij en kwamen in Jeruzalem aan, juist toen de nacht de heilige stad met zachte schreden betrad. Wat ik in El Chalil had willen halen, dat had ik niet gekregen; in plaats daarvan werd ons iets heel anders en oneindig beters geboden; dat zouden we pas de andere dag duidelijk zien. Zo gaat het steeds in het leven. Als ons ergens een uiterlijke, materiele wens geweigerd wordt of als zich zelfs een onverwachtte pijn in plaats van een verwachtte vreugde bij ons aandient, dan komt onze dwaasheid in opstand tegen het bekwaamheid zonder af te wachten, wat voor een resultaat dit uiterlijke verlies voor een innerlijk voordeel zal opleveren. Dit laatste wordt weliswaar niet door ons bereikt, klopt echter, voor het geval dat we er niet vijandelijk tegenover staan, zeer zeker aan onze deur, en als hij daar is, dan komt normaal gesproken daar achteraan ook de arme, geheel bijkomstige gave, waar we zozeer naar velangen. Zo was het ook met het zadel. Ik zou hem zeker krijgen; maar de wens hem te bezitten, moest vooraf de bedoelingen voor een verstandig gebruik dienen, waar we meestal te kortzichtig en te ongeduldig voor zijn om het te begrijpen.

We waren de volgende morgen net opgestaan en zaten nog aan de koffie, toen er op onze deur werd geklopt en – wie kwam er binnen? De knaap.

»Goedemorgen!« groette hij op z’n europees, terwijl hij ons een hand gaf.

Wij dankten hem en keken hem goedkeurend aan, want hij was heel fris in het wit gekleed, helemaal schoon en zonder vlekken.

»Ja, daar verwonderen jullie je zeker over?« zei hij. »Met het schilderen is het afgelopen! Want ten eerste heeft onze echtgenote hier over een heldendom gesproken, dat niet opgeschildert is, maar echt, en sinds die tijd wil ik een echte held zijn, geen opgemaakte, namaak. En ten tweede hebben jullie ook gehoort, dat Schamah, mijn nieuwe vriendin, meteen zesmaal 'foei!' uitriep, toen ik me door blauwe, groene, rode en gele kleuren dapper wilde maken. Wat zij zegt, dat is voor mij belangrijker, dan wat jullie allemaal bij elkaar zeggen en dus ben ik vastbesloten, de kunst in de toekomst helemaal links te laten liggen en alleen dingen te doen, waarvoor men zich niet hoeft te beschilderen. Overigens ben ik alleen vanwege Schamah naar jullie toe gekomen. Als ik met jullie koffie mag drinken, dan vertel ik jullie waarom. Bij jullie zijn de koppen groter dan bij ons.«

Hij kreeg, wat hij wenste, ging bij ons zitten en vervolgde:

»Allereerst wil ik jullie zeggen, dat ik uit alle clubs van leeuwen, olifanten, nijlpaarden en walvissen stap, zolang Schamah zich in Jeruzalem bevindt. Daarom ben ik nu in het wit gekleed, om van club naar club te gaan en te melden dat ik niet meer met monsters mag omgaan, in elk geval voor de komende tijd. Schamah is voornaam, en als ik ook niet voornaam ben, moet ik me schamen. Ze zegt niet zomaar 'foei!' En daarnaast moeten jullie weten, dat ze vandaag al naar Jeruzalem komt.«

»Hoe weet je dat?« vroeg ik.

»Dat weet ik door de samenzwering.«

»Is er hier een samenzwering?«

»Ja,« knikte hij gewichtig.

»Wie heeft samengezworen?«

»Ik.«

»Met wie?«

»Met de Hammahr.«

»Ah, gisteren?«

»Ja. En daarom leende ik van jou die twintig frank. Hier heb je ze terug. Bedankt!«

Hij haalde twee gouden tienfrankstukken uit zijn zak en legde ze op de tafel. Ik pakte ze echter niet, maar zei:

»Voordat ik ze terugneem, moet ik weten, waar het om gaat. Ik heb ze je niet geleend, maar geschonken.«

»Je vergist je!« zei hij ernstig. »Ik bedel niet, maar ik leen. Schamah en haar moeder zijn arm, heel arm. Af en toe hebben ze niet genoeg te eten; dat heb ik van ze gehoord zonder te vragen. Ik ben echter rijk en hun vriend. Daarom heb ik in het pension voor ze betaald, zonder dat ze het weten, en daarom brengt de Hammahr ze vandaag naar Jeruzalem, natuurlijk op betere ezels, dan die van gisteren; ze weten echter niet, dat ik het ben, die dat betaald. Ze denken dat ze het van het pension krijgen. Ze rijden, als ze hier aankomen, helemaal niet naar de stad, maar ze buigen rechtsaf naar het Hinnomdal en de olijfberg op naar Bethanië, naar mijn vriend Abd en Nom.«

»Wie is Abd en Nom?«

»De vader van de grootste walvis, die we hebben, en het zwaarste nijlpaard, dat er is. Hij huisvest pelgrims. Nu staat zijn huis helemaal leeg en Schamah heeft met haar moeder meer plaats, als ze nodig hebben. Ze zullen daar ook eten. Ze denk natuurlijk, dat ze aanbevolen zijn door het pension. Abd en Nom mag me graag. Ik ga er ook naar hem toe, om alles voor te bereiden.«

»En om te betalen?«

»Ja. Maar ik verzoek je dit niet te verraden. Schamah en haar moeder mogen het nooit ervaren!«

»Weet je vader het?«

»Neen.«

»Maar, mijn jongen, dat kost geld!«

»Dat heb ik!« lachte hij vrolijk.

»Van wie?«

Toen werd hij weer snel ernstig en antwoordde:

»Van moeder, voordat ze stierf. Die heeft me het geld geleend en ik krijg maandelijk de rente. Vader betaald me dit uit, want hij is de beheerder. Ik mag het geld niet houden; ik ben gedwongen, het uit te geven, maar niet voor mezelf, maar voor arme, oude, zieke mensen, die in nood zijn. Zo wilde mijn moeder het en vader moet me laten doen, wat ik wil. Alleen dan heeft hij inspraak, als hij hoort, dat ik het geld voor iets anders gebruik, als zij het mij bevolen heeft. Maar dat is nog nooit gebeurd, want ik hou van mijn moeder en denk er bij elke piaster, die ik uitgeef, aan, of zij het net zo als ik of misschien wel anders zou doen. Ik heb weliswaar gisteren de twintig frank van je geleend, zonder eerst de moeder in mijn binnenste te vragen; maar dat heb ik gisteravond, voor ik ging slapen, en vanochtendvroeg, toen ik wakker werd, ingehaald en nu weet ik heel precies, dat ze het met me eens is en verheugd is over Schamah en haar moeder. Wil je het geld nu terugnemen, Effendi?«

»Ja,« antwoordde ik en stak het bij me.

Als loon voor zijn groete goedheid vulde mijn vrouw zijn kopje voor de tweede keer. Hij nam een slok en sprak verder:

»Ik zal me heel serieus met ze bezighouden. Ik laat ze alle heilige plekken, ook Bethlehem, zien en wat ze verder nog willen. En weten jullie, waarom ik dit doe?«

»Uit medelijden,« zei mijn vrouw.

»Ja, dat dacht ik eerst ook; maar toen ik vanochtend vroeg in mezelf keek, zoals ik het altijd doe, als ik aan moeder denk, toen was het geen medelijden, maar iets heel anders. Ik weet alleen niet, hoe ik het moet noemen, want ik heb het nog nooit eerder gevoeld. Het voelt bijna als een plicht en toch ook weer geen, maar in elk geval iets, wat men graag doet. Dat ik voor Schamah en haar moeder met de hele wereld wil vechten, dat hebben jullie gisteren gezien; maar dat is nog veel, veel te weinig; dat is nog lang, nog lang niet het juiste. Ik zal er nog meer over nadenken, en als ik het gevonden heb, dan vertel ik het jullie. Mag ik nu weer gaan? Dat is namelijk noodzakelijk, heel noodzakelijk. Denk je eens in: naar de leeuwen, olifanten, nijlpaarden, walvissen en naar Abd en Nom! En van dit alles mag vader niets weten!«

»Weet hij, dat je naar ons toe bent gegaan?«

»Dat komt niet in me op! Als hij zou horen, dat men bij jullie mag komen, als men daar zin in heeft, dan zouden jullie hem de hele dag niet kwijt raken, want hij mag jullie graag, heel graag! Allah bescherme jullie dus; ik ga!«

Hij dronk zijn kopje leeg, gaf ons een hand, opende de deur, ging naar buiten, bleef staan, dacht een ogenblik na, kwam weer naar binnen, trok de deur stevig achter zich dicht, alsof hij ons een groot geheim wilde toevertrouwen, en zei:

»Een ding moet ik je nog vragen: Is het geen onzin, dat men mij thuis de 'uitverkorene' noemt?«

»Hoe kom je op deze vraag?« probeerde ik het antwoord te omzeilen.

»Omdat me alleen in mijn ijdele uren over deze benaming verheug; als ik echter serieus ben, erger ik me erover.«

»Erger je dan maar!« raadde mijn vrouw aan. »De ergernis is hier meer op zijn plaats, dan de vreugde.«

»Denk je?« Hij keek haar nadenkend aan. Toen richtte hij zijn ogen op mij en knikte me beveelbetekenend toe: »Ik heb er veel mee op, wat onze echtgenote zegt. Jij soms niet? Tot dusver heeft ze het steeds bij het juiste eind gehad. Maar nu ga ik echt! Allah behoede jullie!«

Toen hij weg was, duurde het nauwelijks tien minuten, of er werd weer geklopt en wie verscheen er? Zijn vader. Hij excuseerde zich, dat hij ons op zo’n ongelegen tijdstip stoorde; maar er was iets gebeurd, wat hij ons beslist moest vertellen.

»Je hebt gedroomd?« vroeg ik.

»Ja. Hoe weet je dat?«

»Ik weet het niet, maar ik denk het.«

»Dan heb je het geraden. Denk jullie ens in! Ik droomde dat ik ’s morgens opstond en in het vertrek kwam waar ik woon. Daar zat mijn broer net als als ik, glimlachtte naar me en zei:

'Ik ben gekomen en wil zien, of ik blijf.' Toen werd ik van vreugde wakker. Vertel me, is dat een wonder of niet?«

»Een wonder? Neen! Het is voor mij zelfs iets vanzelfsprekends.«

»Na ons laatste gesprek van gisteren voor mij ook; maar toen ik vanochtend wakker werd, kwam er een gedachte bij me op, meteen na de droom, bijna zo, alsof deze gedachte het vervolg van de droom was. Weet je nog, wat mijn broer in de vorige droom tegen me zei?«

»Dat hij zijn vergeving zou sturen.«

»Nu, en hoe heet het kind, dat jullie gisteren ontmoet hebben en waar mijn zoon onophoudelijk over praat?«

»Schamah, de vergeving!«

»Dat is waar! Dat is juist!« viel mijn vrouw daar snel in. »Zou het wel -«

»Pst - -! Stil - -! Pst - -!« onderbrak ik haar snel, terwijl ik de oude Eppstein nadeed. »Laat je niet in de war brengen door geheimdoenerij! Schamah betekent vergeving, is echter ook tegelijkertijd een meisjesnaam.«

»Maar de moeder van het meisje komt, zoals Thar me zei, uit de omgeving van El Kerak en dat ligt in het oostelijke jordaanland, waarheen mijn broer is gegaan!« wierp Mustafa Bustani er tussen.

»Heb je met Thar vandaag over ze gesproken?« vroeg ik, om hem van dit onderwerp af te leiden.

»Gisteravond nog,« antwoordde hij. »Vandaag was hij al bijtijds wakker, maar wilde niet met me praten. Zo is hij, als hij zijn gedachten op zijn moeder richt. Dan is hij altijd bezig met een geschenk of een andere daad, waarmee hij iemand hoopt blij te maken. Toen ging hij weg, zonder iets gegeten of gedronken te hebben.«

»Weet hij, dat je hier bij ons bent?«

»Dat komt niet in me op! Als hij zou horen, dat men bij jullie kunt komen zo vaak als men wil, dan zou je hem de hele dag niet kwijtraken, want ik wil jullie niet verzwijgen, dat hij jullie in zijn hart gesloten heeft. Sinds gisteren is hij verandert. En het kleine meisje schijnt zo’n indruk op hem gemaakt te hebben, dat het mij een raadsel is.«

»Maar toch geen onaangenaam raadsel?«

»O neen, een heel aangenamen zelfs! Ook ik ben in een andere stemming als anders. Gisteren was het een vrije dag; maar het is voor mij net, alsof dat eerst vandaag is. Het is net alsof ik weer in mijn gelukkige kindertijd ben, toen iets, wat ik graag wilde hebben, na lang wachten eindelijk kwam. Is dat niet bijzonder? Is dat niet om te lachen?«

»Zeker bijzonder, maar niet om te lachen. Onze ziel staat met heel andere werelden in verbinding dan ons lichaam. En deze verbinding is zo innig, dat een verstandig mens over dat, wat wij 'innerlijke stemmen' noemen, nooit zal lachen. Heeft de droom je je broer duidelijk laten zien? Of was het slechts een gestalte, waarvan je dacht, dat hij het was?«

»Hij was het en wel zo zeker en duidelijk, dat ik me zelfs in mijn droom erover verwonderde en verheugde, dat hij nog steeds zo veel op me leek als vroeger. We leken namelijk zo veel op elkaar, dat we vaak verwisseld werden. Dat vonden we grappig en daarom droeg hij precies dezelfde baard en kleren als ik. Des te verschillender waren we innerlijk. Hij altijd zacht, meegaand en geneigt tot vredelievendheid, ik echter tactloos, ruw en steeds bereid als heer en meester op te treden. Dat deed ons uiteindelijk uit elkaar gaan. Vandaag echter - - -«

Hij stopte, ging naar het raam, keek naar buiten en vervolgde toen:

»Daar loopt de weg naar Bab en Nebi Daud en daar naar Bab el Amud. Mij maakt het niet uit, welke van deze wegen ik ga. Ze voeren me beide rond de stad en naar de olijfberg, waar ik wacht, wanneer en hoe de vergeving bij me komt. Vandaag ben ik zo gespannen, dat ik geen rust heb. Ik ga!«

Hij ging en ik moet eerlijk bekennen, dat hij een deel van de spanning, waarin hij zich bevond, bij ons achterliet. Als ik met de huidige vertelling een kunstzinnig doel zou nastreven, dan zou ik hem heel anders hebben opgebouwd en zou het einde, dat naderbij komt, een eigen hoofdstuk hebben. Omdat voor mij het natuurlijke verloop van de dingen net zo interessant is als zijn eventuele, literaire bewerking, volg ik het voorbeeld van onze brave knaap, door de feiten sober en zonder er doekjes om te winden en, zolang Schamah zich bij ons bevond, er van afzag, ze groen of blauw, geel of rood af te schilderen.

We gebruikten de morgen, om de »graven van de koningen« en enige andere dichtbijgelegen plaatsen te bezoeken. In de namiddag wilden we naar Ain Karim, een van mijn lievelingsplaatsen, die men voor de geboorteplaats houdt van Johannes de Doper. We kwamen er echter niet toe, dit uitstapje te ondernemen, want juist toen we het middageten wilde gebruiken, werd er voor de derde maal bij ons geklopt en wie verscheen er? Schamah met haar moeder! Wij verheugden ons welgemeend over dit ons menselijk zo welkom bezoek en het was vanzelfsprekend, dat ze beide bij ons aten. De moeder was een lieve, zachte, edele en alleen innerlijk trotse vrouw van een ernstige kiesheid. Ondanks haar bescheidenheid sprak ze er met grote genoegdoening over, dat ze niet uit Syrië, maar van de Kaukasus stamde en, zover als de traditie terugging, altijd christelijk was geweest. Haar vader was, vanwege zijn geloof onderdrukt, als arme officier in El Kerak gestorven. Ook haar man was arm geweest, heel arm zelfs, maar getooid met alle deugden, die nodig zijn, om zich de achting en de liefde van de mensen te verwerven. Hij heette Achmed Bustani en was aan een ziekte van het hart gestorven, aan een verlangen, dat zonder ophouden aan hem geknaagd had, tot de dood hem ervan verlostte.

Achmed Bustani! U kunt zich indenken, welke indruk deze naam op ons maakte. De broer van onze vriend, dus toch! Aan mij zou de weduwe deze mededelingen wel niet zo snel verteld hebben, maar de beide vrouwen hadden elkaar sinds gisteren niet alleen uiterlijk, maar nog meer ontmoet en voelden zich vandaag en voelden zich nu vandaag op zo’n manier tot elkaar aangetrokken, dat de vertrouwelijke omgang vanzelf kwam. Natuurlijk niet meteen, maar het duurde uren, tot we stukje bij beetje hoorden, wat ik met weinig, korte woorden verteld heb. Terwijl ze sprak, keek de onderdrukte zielennood uit haar vochtige, diepe ogen ons aan, en het zou wel heel hard, zelfs wreed van ons zijn geweest, als we dit verdriet door vragen vergroot hadden, alleen om onze gewone nieuwsgierigheid te bevredigen. Achmed Bustani was, om het met een bekend woord uit te dukken, heel eenvoudig aan heimwee gestorven. De liefde voor vrouw en kind had de dood hoogstens uitgesteld, maar niet kunnen verhinderen. De gedachte, door zijn vader en de hele familie te zijn verstoten en nooit meer te worden opgenomen, had hem, de onlosmakelijk met zijn familie verbonden semiet, het leven gekost. Toen hij op sterven lag, had hij zijn echtgenote laten beloven, dat ze een pelgrimage zou maken naar Jeruzalem en met het kind zijn broer op zou zoeken, om hen, iendien mogelijk, toch nog te verzoenen.

Ze hadden eigenlijk van de eik van Abraham tot Bethlehem willen lopen, maar hadden van het pension uit een briefje voor een zekere Abd en Nom in Bethanië gekregen, die hen gratis opname en verzorging in zijn huis verzekerde. Tegelijkertijd was het zo gelopen, dat de ons bekende Hammahr met zijn ezels naar Jeruzalem moest, om daar iemand op te halen, en hij had ze dus kunnen meenemen, zonder dat ze hadden hoeven betalen. Ze verheugden zich over de vriendelijkheid van deze man en over de in het russische pension bij de eik van Abraham heersende humaniteit, zonder te vermoeden, dat het in werkelijkheid onze »held van de bloedwraak« was, aan wie ze dat alles te danken hadden. Ze waren echter niet het dal van Hinnom ingereden direct naar Abd en Nom, maar eerst hierheen naar ons, om bij ons te informeren, of het voor een eenzame, christelijke pelgrim mogelijk was, bij deze man te wonen. We gaven ze de best mogelijke opheldering en boden ze aan, ze naar hem te begeleiden, om te laten zien, wat voor een man hij was. Ze namen dit dankbaar aan en wilden juist weer vertrekken, toen er voor de vierde maal aan onze deur geklopt werd en de knaap binnenkwam.

Hij was helemaal buiten adem en riep, toen hij Schamah en haar moeder zag:

»Het is waar, wat de Hammahr zei! Jullie zijn eerst hierheen gegaan, in plaats van direct naar Abd en Nom te rijden! Maar waarom blijven jullie zolang hier! Waarom gaan jullie niet naar Bethanië, door het Hinnomtal, precies zo, zoals ik het de Hammahr gezegd heb?«

Hij stond op het punt, zichzelf te verraden. Ik pakte hem bij zijn kraag en bracht hem naar de andere kamer. Daar zei ik:

»Ik dacht, dat Schamah en haar moeder het niet mochten weten, dat jij een met de Hammahr samengezworen hebt! En dan kom jij en praat er zelf over?«

»Allah, Allah!« schrok hij. »Je hebt gelijk! Dat is dom van mij! Maar denk je mijn positie toch eens in, Effendi! Ik sta met al mijn leeuwen en olifanten en nijlpaarden en walvissen beneden bij de Siloahvijver, om Schamah voorbij te zien komen en haar met een grote, feestelijke wandeloptocht naar Bethanië te begeleiden - - -«

»Met de nijlpaarden en olifanten?« viel ik hem in de rede.

»Ja, natuurlijk!« knikte hij. »Ik heb ze bij elkaar geroepen, om mijn nieuwe vriendin met hun hulp feestelijk te ontvangen. Ze hebben hun mooiste kleren aangetrokken. We hebben de hele omgeving afgezocht naar bloemen en struiken, om voor ze uit- en achter ze aan te dragen. Als ze komt, houden we haar tegen en maken onze buigingen. Dan word een gedicht van Firdusi gedeclameert. Hierop spreek ik een feestrede uit. Als die klaar is, volgen nieuwe buigingen met een lied, dat we deels zingen en deels fluiten. Daarna volgt een tweede gedicht; dat is van Busiri. En uiteindelijk een triomfgeschreeuw, zo hard als we kunnen brullen. Dan delen we ons op, en de wandeloptocht zet zich in beweging - - de helft van ons voorop, de helft achteraan, ik echter in het midden tussen moeder en dochter in als hoeder van de beide ezels.«

»Dat is leuk uitgedacht!« lachte ik.

»Niet waar? Denk je eens in, dat wij urenlang gewacht hebben, maar niemand kwam! Toen de moeder van Schamah hier bij jouw deur van de Hammahr afscheid nam, is deze met zijn ezels door de stad gelopen, in plaats van de weg, die ik met hem afgesproken had, voort te zetten. Pas later had hij er aan gedacht, dit te doen, en dus heb ik pas enige minuten geleden gehoord, dat de zo smachtend verwachten zich hier bij jullie bevonden. Ik ben onmiddellijk hier naar toegegaan, om jullie te zeggen, dat je zo snel mogelijk moet komen, anders verliezen mijn leeuwen en walvissen hun geduld!«

Ik vond het jammer, zijn geestdrift te moeten temperen, maar ik kon niet anders, ik moest het doen. Ik legde hem uit, dat en waarom zo’n ontvangst onmogelijk was. Een christlijke pelgrim past bescheidenheid en innerlijke zelfbeheersing, zoiets echter niet, zeker geen mohammedaanse gedichten en brullend trionfgehuil. Hij was verstandig genoeg, dit in te zien en zei:

»Goed, Effendi, dan laten we dat achterwege; maar iets doe ik toch. Ken je het lied van Bethanië, waarin Jezus komt, om de zusters te bezoeken?«

»Neen.«

»Dan zul je het horen. Jullie gaan nu naar het Hinnomdal en langs de Siloahvijver?«

»Ja. Mijn vrouw zal daar waarschijnlijk fotograferen.«

»Dat komt goed uit! Loop alsjeblieft langzaam! Ik loop snel vooruit.«

Ik wilde hem vermanen, om niets ongepast te doen, maar hij weerde af en maakte zich snel uit de voeten. Wij volgden hem en zoals ik had gedacht, zo gebeurde het ook: mijn vrouw zorgde ervoor dat ik het apparaat meenam. Ze wilde aan de Siloahvijver en in Bethanië enige opnamen maken.

Het is niet het doel van deze vertelling, Jeruzalem en zijn omgeving te beschrijven. Daarom laat ik het achterwege, de weg, die we gingen, te beschrijven.

Toen we aankwamen was er buiten ons geen mens te zien. Ik verheugde me daarover. Deze eenzaamheid en rust pastte bij de stemming waarin we ons bevonden. Onderweg hadden we een ernstig gesprek. De kleine Schamah werkte echter als een lieve, innige zonnestraal, die deze ernst verzachtte. De weduwe was bij het einddoel van haar reis. In haar beefde de oneindig belangrijke vraag, of haar pelgrimage verhoring zou vinden of niet. Wij echter, die hiervan meer wisten dan zij, we zagen de beslissing aankomen en voelden ons innerlijk zeer gespannen.

Mijn vrouw wilde Schamah ook graag op de foto; maar het kind had nog geen vertrouwen in de zwart omhangen driepoot en dus moest ze dat vandaag opgeven. Ik was het dus alleen, waar opnames van gemaakt werden. Toen dat klaar was en wij, voordat we de plaats verlieten, deze nog een keer nauwkeurig in ogenschouw namen, om deze in ons geheugen te prenten, klonk plotseling van rechts en van links, van boven en van beneden, kortom van alle kanten en alle hoogtes, waar de knapen zich achter de stenen verstopt hadden, een eigenaardig gedragen, tweestemmig lied in het arabisch. Dat was het lied van Bethanië, waar Christus de zusters bezocht had en onderweg aan de Siloahvijver zieken geneest. Onze innerlijke stemming en de uiterlijke mise-en-scène, dat wat achter ons lag en dat, wat we voor ons te verwachten hadden, en hierbij het ons volledig verrassende, heel eigenaardige, diep ontroerende Christuslied: dat alles werkte dusdanig op ons in, dat het ons bijna neergetrokken had, om knielend toe te horen. En toen het voorbij was, bewoog zich niets. De zangers bleven in hun schuilplaatsen liggen; ze waren goed geïnstrueerd. Van dit ogenblik af begon ik er aan te twijfelen, dat onze knaap zonder verstand van kunst geboren was.

Van hieruit gingen we naar het Kidrondal naar de zogenaamde bovenbrug, om Gethsemane te zien. Toen over de joodse begraafplaats naar Bethanië. Daar stond voor het dorp de knaap, helemaal alleen. Hij wachtte op ons, en groette. Toen vroeg hij mij zachtjes:

»Heb je ze gezien?«

»Wie?« vroeg ik weer.

»De zangers. Ze hebben jullie, toen jullie naar Gethsemane gingen, ingehaald, want ze moeten hier nog een keer zingen. Kom! Ik breng jullie naar Abd en Nom, zodat jullie de woning zien, die we voor klaargemaakt hebben. Daarna gaan we naar het graf van Lazarus, om het te fotograferen.«

Hij nam Schamah bij de hand en ging met haar voorop. Het huis van Abd en Nom lag in de buurt van het graf. De eigenaar kwam naar buiten, diep en respectvol buigend, met hem zijn beide zonen, naar Thars beschrijving zoals bekend »de grootste walvis, die we hebben, en het zwaartste nijlpaard, dat er is.« Ze maakten echter allebei een heel vriendelijke, vertrouwenwekkende indruk. Ook het huisje zag er echt schoon en bewoonbaar uit. Het leek, dat de gasten hier een echt bevredigend onderkomen zouden vinden. En toe we naar binnen gingen, zagen we, dat dit vermoeden waarheid werd. Want de inrichting van de beide ruimtes, die er daar voor Schamah en haar moeder waren, lieten naar de plaatselijke verhoudingen gezien niets te wensen over. Buiten dat waren ze versiert met alle takken, twijgen en bloemen, die voor de »feestelijke wandeltocht« bestemd waren geweest.

»Daarom had ik zo’n haast,« verklaarde de knaap me zachtjes. »Dat moest allemaal nog snel hierheen gebracht worden.«

»En waar zijn nu al die helden?« vroeg ik.

»Dat zul je zo meteen horen!«

Hij liep bij deze woorden naar de deur en zwaaide naar buiten. Onmiddellijk verhief zich een minstens vijftig- tot zestigstemmig »triomfgehuil«, dat door echte leeuwen, olifanten, nijlpaarden en walvissen zeker niet natuurlijker en angstaanjagender ten gehore had kunnen worden gebracht.

»Allah erbarme zich!« riep ik hem toe. »Laat het genoeg zijn! Hou op! Hou op!«

Hij zwaaide weer; toen was het stil. Maar men kon niet zien, waar de monsters zich bevonden.

»Dat was afgesproken«, zei hij. »Ik moest ze een keer laten brullen, een keer maar! Nu hebben ze hun zin gehad en zullen ze het niet weer doen. Zullen we nu naar het graf gaan, om het te fotograferen?«

We waren het er mee eens, want de zon stond al laag en als het later werd zou er geen goede foto meer te maken zijn. Hij ging met Schamah voorop; haar moeder vroeg echter, deze keer achter te mogen blijven; ze moest, voor het donker werd, de kamer bewoonbaar maken. Deze wens was zo natuurlijk, dat het logisch was. Wij volgden dus, zonder haar mee te nemen, de beide kinderen en stelden het apparaat zo op, dat hij recht op de ingang van het graf gericht was. We dachten, dat er niemand in was. Toen zagen we de wachter van het graf, die van binnenuit in de deuropening trad, de arm afwerend ophief en ons toeriep:

»Nu niet, nu niet! Nu is het verboden, want er is een moslim binnen, een aanhanger van de profeet!«

Maar knip! drukte mijn vrouw nu af. Wij wilden juist weggaan, toen de »aanhanger van de profeet« zich liet zien, die zich in het graf bevonden had. Hij kwam naar buiten en haastte zich, toen hij ons herkende, vreugdevol op ons toe. Het was Mustafa Bustani, onze vriend.

»Wat goed, wat goed, dat jullie hier ook zijn!« zei hij. »We gaan samen weer over Kafr et Tur naar huis, net zo als gisteren! En jij ook?« vroeg hij zijn zoon. »En wie is dit lieve, kleine kind?«

Hij boog zich naar Schamah neer. Ze stond daar met wijd geopende, grote, glanzende ogen. Haar gezichtje straalde van verrukking. Ze hief de kleine armen op, om door hem opgetilt te worden en jubelde luid:

»Mijn vader! Mijn vader!« Hierop sloeg ze haar handen verrukt in elkaar en vervolgde: »Moeder had het gezegd! Moeder had het gezegd!«

»Welke moeder? Wat heeft ze gezegd?« vroeg Mustafa Bustani, die niet vermoedde, dat dit kind de gisteren gevonden »nieuwe vriendin« van zijn zoon was.

»Dat we naar het graf van Lazarus gaan, had moeder gezegd,« antwoordde Schamah, »en dat de Heiland jou daar uit de dood zou opwekken, net zo als eens Lazarus.«

»Mij - -?«

»Ja, jij, mijn vader!«

Toen wendde hij zich aan ons.

»Zij houdt mij voor haar vader! Zonderling! Wie is dat kind?«

»Ik ben Schamah, de vergeving, en daar in huis is mijn moeder. Neem me toch op de arm zoals altijd en draag me naar haar toe!« smeekte het meisje, de armen weer naar hem opheffend.

Alle kleur week uit zijn gezicht. Hij werd lijkbleek, deed enige stappen terug en vroeg, terwijl zijn stem stokte:

»Schamah - - de vergeving - -! Dat kleine meisje van gisteren?«

Deze vraag was aan zijn zoon gericht.

»Ja, ze is het,« knikte deze.

»Mijn vermoeden – mijn vermoeden - -! Weet je, hoe haar vader heet?«

Toen antwoordde het meisje in plaats van de knaap:

»Jij bent toch mijn vader! Jij heet Achmed Bustani. Ken je me soms niet meer? Nu moet ik huilen! Pak me op en draag me naar mijn moeder!«

Wat nu volgde, kan onmogelijk worden beschreven. Mustafa Bustani schreeuwde luid en zakte op zijn knieën. Hij strekte de armen naar het kind uit, trok het tegen zich aan, kustte het onophoudelijk en riep daarbij:

»Schamah - - Schamah - - de vergeving! Wat heeft hij ook al weer gezegd – toen hij mij in een droom verscheen - -? Ik zal je mijn vergeving sturen - - ze komt uit het oosten - - kijk dagelijks naar haar uit! Dat heb ik gedaan en ze is gekomen – nu is ze er!«

Toen plotseling verzette Schamah zich tegen zijn liefkozingen. Ze hield hem met beide armen van zich af, keek hem onderzoekend in het gezicht en zei toen:

»Het is niet waar, het is niet waar! Ik hou ook van jou; maar mijn vader ben je toch niet helemaal. Je moet eerst nog een keer het graf binnengaan, om het helemaal te worden!«

»Nog een keer naar binnen?« herhaalde hij. »Dat begrijp ik wel. Er moet nog iets in me sterven. Tot dan ben ik voorlopig de broer van je vader, mijn lief, lief hartenkind, en je kunt me altijd nog zo lief hebben, alsof ik al je vader ben!«

»Als je dat wilt, dan doe ik dat!« lachtte ze. »Draag me nu naar mijn moeder!«

»Vertel me eerst nog iets?«

»Wat?«

»Weet je op welke dag je vader gestorven is?«

»O, dat weten we allemaal, moeder ook. Ze herhaalt het zo vaak, dat men het nooit meer vergeten kan. Het was de vijftiende dag van de maand Adar, dat hij stierf.«

Toen sprong hij op. Zijn gezicht nam een niet te definiëren uitdrukking aan. »Horen jullie het - - horen jullie het?« vroeg hij ons. »De vijftiende Adar! Dezelfde dag, waarop ik droomde, dat hij gestorven was en mij Schamah, zijn vergeving zou sturen! Allah, Allah! Wat wonderbaarlijk is alles, wat er gebeurd! Ik eer u! Ik prijs u! Ik aanbid u!«

»Naar moeder, naar moeder!« smeekte het kind, wiens verstand datgene, wat ze nu zag en hoorde, ver te boven ging.

»Ja, ik draag je naar je moeder,« zei hij, terwijl hij Schamah van de grond optilde en in zijn armen nam. »Waar kan ik haar vinden?«

»Bij Abd en Nom,« antwoordde Thar, terwijl hij zich opmaakte mee te gaan, maar door mij werd vastgehouden.

Zijn vader liep met van opwinding bijna wankelende schreden naar het aangegeven huis, waar hij in het binnenste verdween. De knaap zei echter:

»Als ik niet meemag, om te horen, wat er word gesproken, dan moet ik alleen zijn, om over dat, wat er gebeurd, na te denken. Vader heeft gelijk: er gebeuren nog wonderen. Het allergrootste wonder van vandaag ben ik echter! Want ik heb achter zijn rug het complot met de Hammahr gesmeed en de vergiffenis juist hier bij het graf van Lazarus gevoerd, zonder dat ik daarbij verstandiger ben geweest als alle anderen, jij, Effendi, en onze echtgenote uitgesloten. Wacht hier op mij! Zodra ik mijn verstand weer bij elkaar heb, zal ik van me laten horen.«

Hij verwijderde zich. Wij namen plaats op een muurtje en deelden ons onze gedachten mee – zachtjes zoals in een kerk. We waren helemaal alleen. De hoeder was weggegaan. Het graf stond open. Welke gedachten keken uit deze geopende deur naar ons toe! - De dag liep ten einde. Een zuivere, heilige adem waaide van de hoogte van de olijfberg naar ons toe. Ik hoorde iets binnenin me. Of was het er buiten? Stond er iemand achter ons? Een Machtige, door niemand te bereiken, die over het graf naar ons riep, maar ook mij bedoelde: »Lazarus, kom eruit!« Er gebeuren niet alleen in lichamelijk opzicht wonderen, waardoor doden weer levend worden.

Toen klonk zachtjes en alsof het uit de luchten hoog boven ons kwam het tweestemmige lied van Bethanië, waar de Heiland bij de zusters langskomt, van het graf omlaag. De knapen hadden op Thars aanwijzingen de muur, die op de eerste foto te zien is, beklommen en herhaalden, wat ze bij de vijver van Siloah gezongen hadden, het lied van Christus, die blinden ziende maakte en doden weer levend. Het kwam me voor als heiligschennis, deze soorten van blindheid en dood door woorden te beschrijven. Zulke dingen moet men aanvoelen; ik moet niet beleren, maar alleen vertellen.

Toen het lied als een uit de tijd van Christus overgeleverd gebed verklonken was, keerde Thar terug. Hij had nu afscheid genomen van zijn kamaraden en ze naar huis gestuurd. En onmiddellijk daarop trad zijn vader weer uit het huis. Zijn schoonzuster en Schamah begeleidden hem. Het bijbelwoord: »En hun gezichten straalden,« was op hen toe te passen.

»Wat een uur, wat een heilig uur,« zei hij. »En daarbij dit lied! Wie heeft dat geregeld?«

»Ik,« antwoordde de knaap, terwijl hij met beide handen naar zichzelf wees.

»Ben jij het echt geweest? Het was net, of het een groet van je moeder was -«

»En ook van mijn overledene,« viel de weduwe bij, »die echter niet dood is, maar levend en wiens laatste wens nu in vervulling gaat.«

»En als het echt van deze beide zou komen, en niet van jou, mijn zoon,« vervolgde Mustafa Bustani, »dan heb je evengoed meer als genoeg gedaan en onze dank verdient. Abd en Nom heeft ons gezegd, wie de eigenlijke aanstichter van het huidige samentreffen is. Het medelijden, dat je moeder in je jonge ziel gelegd heeft, had vrucht gedragen en zegen gebracht. Schamah, de vergeving, zal bij ons wonen en - - -«

»In ons huis?« viel de knaap hem snel in de rede.

»Ja.«

»Met haar moeder?«

»Ja.«

»Hoelang?«

»Voor altijd, hoop ik.«

Toen maakte de knaap de grootste luchtsprong, die voor hem mogelijk was, en riep uit:

»Dan moet ik meteen weg, om hen te zeggen, dat ze komen!«

»Wie?«

»Onze Habakek, de assistent, onze Bem, de koffieneger, en onze kokkin, zijn vrouw!«

»Daar is nog genoeg tijd voor, want mijn schoonzus blijft vandaag nog hier bij Abd en Nom. We halen haar morgen op, als alles voorbereidt is, haar feestelijk te ontvangen.«

»Feestelijk ontvangen!« jubelde Thar, terwijl hij een tweede luchtsprong maakte. »Daar horen mijn mijn leeuwen en mijn olifanten bij! Sta je me toe, ze uit te nodigen?«

Zijn vader trok een gezicht dat geen toestemming uitstraalde, maar mijn vrouw wenkte vragend naar hem en dus antwoordde hij:

»Nodig ze uit!«

»Ook de nijlpaarden?«

»Ja.«

»En de walvissen?«

»Zij ook. Ze mogen in de tuin zitten en bediend worden, maar moeten rustig blijven. Daarvoor moeten ze, voor ze ’s avonds weggaan, het lied van Bethanië zingen.«

»Hamdulillah! Ik dank je, mijn lieve, mijn goede vader! Ik haast me, het tegen hen te zeggen!«

»Waarom toch meteen?« sprak Mustafa Bustani tegen, terwijl hij hem wilde vasthouden.

»Omdat ik ze nu nog kan inhalen. Ze zijn net weg!«

Hij rukte zich los, schudde de kleine Schamah nog snel de hand en sprong meteen achter ze aan.

»Mag ik bij hem wonen?« vroeg het kind, terwijl ze hem bewonderend nakeek.

»Ja, dat zul je,« antwoordde de moeder. »Jullie zullen altijd bij elkaar zijn.«

»Dat wil ik ook en daar ben ik ook blij om, want ik hou van hem en over zulke helden moet men waken. Nu ben ik echter moe van de lange weg. Mag ik gaan slapen?«

Deze wens was aanleiding om afscheid te nemen, en wel met een zeer vrolijk »tot ziens!« voor morgen. Toen zagen we, dat de moeder met het kind eerst nog het graf in gingen, om die innerlijke plicht te vervullen, die ver over het graf heen reikt. Wij drieën klommen echter de al bekende weg over Betphage naar Kafr et Tur omhoog en bleven, toen we de Johannesbroodboom bereikten, staan. De zon stond juist op het punt achter de horizon te verdwijnen. Met haar laatste stralen omarmde ze de heiligste van de steden, die er op aarde is. Welke aanblik Jeruzalem tijdens zo’n zonneondergang vanaf de olijfberg uit biedt, moet men gezien en gevoeld hebben; het is niet mogelijk dit te beschrijven. Lange tijd waren we verzonken in dit uitzicht. Toen zei Mustafa Bustani, terwijl hij diep adem haalde:

»Nog mooier, nog duizendmaal mooier dan gisteren om dezelfde tijd! Maar deze vermeerdering ligt in onszelf. Ik ben een heel ander mens, als ik gisteren was, daarom zie en voel ik ook heel anders. Er is een wereld van verschil tussen gisteren en vandaag. Ik weet, dat jullie niet van mij verlangen, dat ik nu, na zo’n uur, ga praten en verslag ga uitbrengen. Sta me toe te zwijgen. Ik verzoek jullie, ga naar huis! Laat me hier, alleen met mezelf en alleen met hem, die me vandaag vergeven heeft, hoewel ik hem eens verstootte!«

Wij gingen. Nog voordat we de volgende bocht van de weg bereikten, begonnen de avondklokken van de Godsstad te luiden. Een zee van heilig golvende tonen steeg op ons toe en pakte ons, alsof het ons naar de hemel wilde dragen. Achterom kijkend zagen we, dat Mustafa Bustani bad - - een mohammedaan, bij het geluid van kerkklokken! Moet ik meer vertellen? Neen! - - -

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Voor die lezers, die geen hiaat dulden, moet ik nog toevoegen, dat ik het Paschazadel toch nog kreeg. Mustafa Bustani maakte het mogelijk en wel, zoals ik denk, niet zonder persoonlijke offers. Weliswaar is zo’n pronkstuk in het thuisland onbruikbaar, maar ik blijf er van houden en hij is me dierbaar, omdat hij mij aan die twee dagen in het heilige land herinnert, die mij in Thar und Schamah, in de »wraak« en in de »vergeving« dus, een wenk gegeven hebben, die ik niet mag vergeten.

Einde.

 


Schamah